FAQ

Goed intern toezicht

In het op de Woningwet gebaseerde Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting (BTIV) zijn onderstaande competenties benoemd waarover u als commissaris dient te beschikken. De competenties zijn door de VTW nader geconcretiseerd in een uitwerking die handvatten biedt om deze in te zetten bij het werven, selecteren en ontwikkelen van commissarissen.

Authenticiteit

Is consistent in denken en doen (gedrag en houding) onder verschillende omstandigheden. Maakt zichtbaar wat hij/zij werkelijk belangrijk vindt en waar hij/zij voor staat.

Dit betekent ook het open communiceren van intenties, ideeën en gevoelens, het uitnodigen tot openheid en eerlijkheid naar diverse betrokken partijen. Juiste informatie geven over de werkelijke situatie en het tijdig erkennen van risico’s, uitdagingen en problemen naar de bestuurders.

Bestuurlijk inzicht

Kan ingewikkelde materie snel overzien, heeft realiteitszin en een gezond boerenverstand. Heeft oog voor de ontwikkelingen, machtsverhoudingen en gevoelens binnen de toegelaten instelling. Kan schakelen op bestuurlijk niveau, weet complexiteit van het aansturen van een organisatie in al zijn aspecten te duiden en kan goed klankbord zijn voor de bestuurder.

Helikopterview

Kan gegevens en mogelijke handelswijzen tegen elkaar afwegen en tot een logisch oordeel komen. Onderzoekt/herkent/begrijpt de essentiële vraagstukken. Kan over de eigen portefeuille heen kijken, vooral als problemen de continuïteit van de toegelaten instelling in gevaar kunnen brengen.

Integriteit en moreel besef

Oefent de functie adequaat en zorgvuldig uit, met inachtneming van regels en verantwoordelijkheden. Oordeelt en handelt op moreel verantwoorde wijze, op basis van algemeen aanvaarde sociale en ethische normen. Is hierbij aanspreekbaar op eigen gedrag en spreekt ook anderen hierop aan. Vertoont goed voorbeeldgedrag voor de eigen organisatie en de sector.

Maatschappelijke (omgevings)sensitiviteit en verantwoordelijkheid

Onderkent de specifieke rol van de toegelaten instelling als maatschappelijke onderneming en bewaakt binnen de visie en missie van de toegelaten instelling de invulling daarvan.

Laat blijken goed geïnformeerd te zijn over (de veranderende) maatschappelijke, politieke en andere ontwikkelingen in de omgeving van de toegelaten instelling alsook over de belangen van belanghouders. Kan dit vertalen naar de volkshuisvesting en deze kennis effectief benutten. Kan omgaan met diverse belanghouders en daarin tot een weloverwogen balans komen voor keuzes en handelen en verantwoordt zich daarover.

Onafhankelijke oordeelsvorming

Moet de lastige vragen durven blijven stellen (ook als hij/zij daar aanvankelijk alleen in staat), in durven grijpen als dat nodig is en een ‘rechte rug’ hebben bij moeilijke beslissingen. Moet in staat zijn tot onafhankelijke oordeelsvorming. Kan de goede vragen stellen en durft door te vragen.

Teamspeler

Heeft oog voor het groepsbelang en levert een bijdrage aan het gemeenschappelijke resultaat. Is tevens in staat in collegiaal verband te functioneren en geen pleitbezorger te zijn van individuele belangen.

Vakinhoudelijke kennis en visie

Beschikt over de voor de bestuurlijke functie vereiste vakinhoudelijke kennis, bijvoorbeeld kennis van financiën bij toegelaten instellingen, van de ontwikkeling en het beheer van vastgoed en kennis op het gebied van volkshuisvestelijke vraagstukken. Heeft een voldoende realistische visie op toekomstige ontwikkelingen op het gebied van de volkshuisvesting en kan deze vertalen in lange termijn doelstellingen en een strategische planning ter verwezenlijking daarvan. Houdt hierbij goed zicht op risico’s en uitdagingen die de instelling loopt en neemt bijhorende beheermaatregelen.

Voorzittersvaardigheid (indien van toepassing)

Bezit de kwaliteiten om het groepsproces binnen de raad van commissarissen op een professionele wijze te leiden. Kan vergaderingen efficiënt, effectief en daadkrachtig leiden in een open sfeer waarin iedereen gelijkwaardig kan participeren. Heeft oog voor taakvervulling en verantwoordelijkheden van anderen en benoemt gemeenschappelijke belangen op een wijze die tot overeenstemming leidt.

Zelfreflectie

Staat open voor en neemt actief deel aan kritische discussie over het functioneren van de raad en zichzelf als lid c.q. voorzitter. Heeft daarbij inzicht in interne en externe invloeden op zijn/haar functioneren en kan hierover verantwoording afleggen. Toont lerend vermogen en beseft dat zijn/haar handelen invloed heeft op het functioneren van de raad, en omgekeerd. Kan (persoonlijke) leerpunten benoemen en van gedachten wisselen over het vormgeven van het eigen leerproces.

De VTW heeft voor commissarissen die toezicht houden bij woningcorporaties een aantal belangrijke randvoorwaarden voor goed intern toezicht geformuleerd. Hiermee geeft zij de commissaris handvatten voor een goede invulling van de dagelijkse toezichtspraktijk.

De drie verschillende rollen van het interne toezicht – werkgever, toezichthouder en klankbord – worden helder gehanteerd. Het is belangrijk deze drie rollen goed van elkaar te kunnen onderscheiden en ook richting de bestuurder aan te geven vanuit welke rol opmerkingen worden gemaakt en vragen worden gesteld.

Meer informatie hierover:

De per 1 juli 2011 geactualiseerde en aangescherpte Governancecode woningcorporaties vormt de basis voor goed bestuur en toezicht.

Meer informatie hierover:

De door de VTW opgestelde criteria voor goed intern toezicht vormen de basis voor de werving en selectie van commissarissen, voor de jaarlijkse zelfevaluatie van de RvC en zijn onderdeel van de visitatiemethodiek 5.0.

Meer informatie hierover:

De werkgeversrol is adequaat ingevuld. Er is voldoende afstand van de raad van toezicht ten opzichte van de bestuurder en toch voldoende zicht op de corporatie.

Meer informatie hierover:

De profielen en deskundigheden, die onder andere worden gebruikt voor de werving en selectie van nieuwe toezichthouders en de herbenoeming van toezichthouders, zijn goed uitgebalanceerd en mede gebaseerd op de door de VTW opgestelde criteria voor goed intern toezicht.

Meer informatie hierover:

De cultuur in de raad van toezicht en het gedrag van de toezichthouders zijn zodanig dat sprake is van een open discussie en ruimte voor zelfreflectie.

Meer informatie hierover:

Er is een door de raad van toezicht goedgekeurd toezichts- en toetsingskader voor goed intern toezicht.

Meer informatie hierover:

De informatievoorziening is op orde en gekoppeld aan het toetsingskader.

Meer informatie hierover:

Het opdrachtgeverschap van de externe accountant is adequaat ingevuld.

Meer informatie hierover:

De raad van commissarissen is aanspreekbaar door de belanghouders.

Meer informatie hierover:

Een jaarlijkse en stevige zelfevaluatie, met regelmatig externe begeleiding.

Meer informatie hierover:

De rollen die de RvC vervult binnen de verantwoordelijkheden die door het wettelijk kader, de statuten van de corporatie en de Governancecode woningcorporaties zijn toegekend, zijn:

  • de rol van toezichthouder op het bestuur cq. besturen van de corporatie
  • de rol van klankbord/raadgever voor het bestuur bij belangrijke besluiten en strategievorming
  • de rol van werkgever van het bestuur
  • de rol van netwerker/ambassadeur van de corporatie

Toezichtsrol

In zijn rol van toezichthouder is de RvC verantwoordelijk voor:

  1. het toezicht houden op het beleid van de bestuurder, de realisatie van de strategische doelstellingen van de corporatie en de wijze waarop het bestuur het beleid uitvoert;
  2. het oog houden op risico’s die de realisatie van de doelstelling bedreigen;
  3. het toezicht houden op de algemene gang van zaken binnen de corporatie;
  4. het goedkeuren van besluiten van het bestuur over belangrijke onderwerpen, indien zulke besluiten aan de goedkeuring van de RvC zijn onderworpen op grond van de statuten, eventuele aanvullende bepalingen in een bestuursreglement en/of de Governancecode woningcorporaties.

Klankbordrol

In zijn rol als klankbord voor de bestuurder is de RvC verantwoordelijk voor:

  1. het reflecteren met de bestuurder over de strategie in relatie tot de omgeving;
  2. het reflecteren met de bestuurder bij omvangrijke operationele beslissingen, zoals bijvoorbeeld het doen van omvangrijke investeringen;
  3. het ondersteunen van de bestuurder bij strategische beslissingen (het aangaan van fusies/samenwerkingsverbanden, het oprichten van deelnemingen, organisatieaanpassingen, etc.);
  4. het geven van gevraagd en ongevraagd advies, met inachtneming van de verantwoordelijkheid van de bestuurder.

Werkgeversrol

In zijn rol als werkgever houdt de RvC zich bezig met:

  1. bepalen van de omvang en de vormgeving van de topstructuur;
  2. het werven, selecteren en benoemen van het bestuur;
  3. vaststellen van de beloning van het bestuur;
  4. jaarlijks beoordelen van het functioneren van het bestuur op basis van de resultaten van de prestatieafspraken;
  5. het bevorderen van de ontwikkeling van competenties van het bestuur;
  6. het schorsen en ontslaan van het bestuur;
  7. (bewust nadenken over) de opvolging;
  8. zorgdragen voor de continuïteit in het bestuur bij tussentijds ontslag.

Governance in relatie tot de werkgeversrol van de RvC

Een goede invulling van de werkgeversrol vraagt permanent de aandacht van de RvC. Het begint met het zoeken van de juiste bestuurder. De bestuurder moet de juiste man/vrouw zijn voor de specifieke corporatie en ‘fit’ en ‘proper’ zijn conform de Woningwet en de hierop gebaseerde regelgeving. Als de RvC de juiste bestuurder voor de functie weet te selecteren en zijn rol als werkgever goed vorm en inhoud geeft, kan het intern toezicht zijn rol volwaardig vervullen.

Bij de werkgeversrol gaat het om meer dan de formele rol van de RvC waar feitelijke regels voor bestaan en de ‘harde’ kant van het functioneren van de bestuurder. Het gaat ook om minder gemakkelijk ‘smart’ te maken, ‘softe’ aspecten van het functioneren die appelleren aan de motivatie, loyaliteit, integriteit, inspiratie en normen en waarden van de bestuurder. En het gaat om de relatie tussen de RvC en de bestuurder. Hoe is de verhouding tussen beiden en hoe wordt de relatie ingevuld? Is er vertrouwen en consensus of heerst er wantrouwen?

De pers en andere belanghebbenden bij woningcorporaties hebben zich de laatste jaren, mede door een aantal integriteitskwesties, wel eens afgevraagd of en in hoeverre de RvC echt heeft gehandeld als werkgever van de bestuurder, dan wel dat de bestuurder zelf die rol heeft kunnen nemen. De vraag is aan de orde of de bestuurder soms niet te veel vrij spel heeft gekregen. Het is goed als vooral de RvC, maar ook de bestuurder zelf, zich periodiek deze vraag stelt.

Netwerkrol

De netwerkrol betreft de relaties van de RvC met de omgeving. Commissarissen vormen een belangrijke verbinding tussen de corporatie en de (snel veranderende) samenleving. Hierbij gaat het om het tijdig signaleren door de RvC van ontwikkelingen in de (lokale/regionale) omgeving, de volkshuisvestingssector, politiek e.d. En ook om de relatie met stakeholders en de maatschappelijke aanspreekbaarheid van de commissarissen. 

Hulp bij een probleem in de RvC

De VTW heeft een Commissarissenpool ingesteld, bestaande uit geschikte leden die ingeval van ontstentenis of belet van de gehele RvC tijdelijk de functie van commissaris op zich kunnen nemen en die, ingeval van ontstentenis van alle leden van de RvC, zo spoedig mogelijk kunnen voorzien in de benoeming van een voltallige RvC.

Ontstentenis en belet
Met ontstentenis wordt bedoeld dat de commissarissen hun taak blijvend niet kunnen vervullen (bijvoorbeeld door overlijden). Belet ziet op de situatie dat commissarissen tijdelijk hun taak niet kunnen of mogen vervullen (bijvoorbeeld door ziekte, zwangerschap, of onverenigbaarheid).

Op grond artikel 15 lid 3 [voetnoot 1] van de (model)statuten, dient de RvC jaarlijks in zijn vergadering twee personen aan te wijzen die ingeval van ontstentenis of belet van de gehele RvC tijdelijk de functie van commissaris op zich nemen en die, ingeval van ontstentenis van alle leden van de RvC, zo spoedig mogelijk voorzien in de benoeming van een voltallige RvC.

Door als RvC te verwijzen naar de Commissarissenpool van de VTW is in de opvatting van de Autoriteit wonen sprake van naleving van de belet- en ontstentenisregeling in de (model)statuten.

De Commissarissenpool bestaat uit commissarissen die lid zijn van de VTW en voldoen aan onderstaande vier voorwaarden:

  • beschikken over minimaal één positieve zienswijze van de minister
  • minimaal vier jaar ervaring hebben als toezichthouder/commissaris
  • ervaring hebben met werving en selectie en/of als lid van de remuneratiecommissie
  • ervaring hebben in crisissituaties

Deelnemen aan de Commissarissenpool?
Voldoet u aan de voorwaarden en wilt u als commissaris deelnemen aan de Commissarissenpool? Ga via Leden Login naar de pagina 'Mijn gegevens'. Vink JA aan bij 'Deelname Commissarissenpool' onder 'Mijn gegevens'.

Een beroep doen op de Commissarissenpool?
De corporatie of RvC hoeft geen lid te zijn van de VTW en hoeft zich niet bij de VTW aan te melden om een beroep te kunnen doen op de Commissarissenpool. Wel dient de RvC in zijn vergadering te besluiten invulling te geven aan de statutaire verplichting van artikel 15 lid 3 door de vereiste twee vervangers bij ontstentenis of belet van de gehele RvC te betrekken uit de commisarissenpool van de VTW.

Indien bij een corporatie sprake is van ontstentenis of belet van een RvC kan via de VTW een profielschets worden gestuurd naar de deelnemers aan de Commissarissenpool. Deze kunnen hun CV en motivatie opsturen naar de corporatie die vervolgens twee personen selecteert.

Geen toets geschiktheid en betrouwbaarheid
Omdat geen sprake is van ‘benoemen’ maar van 'waarnemen', is geen melding nodig bij de Aw voor een zienswijze van de minister. Wel dienen de commissarissen te voldoen aan de eisen die de wet en de statuten stellen aan commissarissen. Dit betekent o.a. dat onverenigbaarheden met het lidmaatschap van de RvC voorkomen moeten worden. Meer informatie over onverenigbaarheden 

NB Zodra sprake is van een (al dan niet tijdelijke) ‘benoeming’ van een commissaris of interim-commissaris is een zienswijze van de minister nodig en dient een procedure geschiktheid en betrouwbaarheid te worden opgestart.

[Voetnoot 1]: Artikel 15 lid 3 van de (model)statuten geeft invulling aan artikel 30 lid 11 van de Woningwet die bepaalt dat de statuten voorschriften dient te bevatten over de wijze waarop voorlopig in de Raad van Commissarissen wordt voorzien ingeval van belet of ontstentenis van de gehele Raad van Commissarissen.

Artikel 15 lid 3 (model)statuten luidt als volgt: “De Raad van Commissarissen wijst jaarlijks in zijn laatste vergadering van het kalenderjaar twee personen van buiten zijn kring aan die ingeval van belet of ontstentenis van de gehele Raad van Commissarissen tijdelijk de functie van commissaris op zich nemen en die, ingeval van ontstentenis van alle leden van de raad, zo spoedig mogelijk voorzien in de benoeming van een voltallige Raad van Commissarissen met inachtneming van het bepaalde in de statuten. De door de Raad van Commissarissen aan te wijzen personen dienen te voldoen aan de eisen die de wet en de statuten stellen aan commissarissen van de stichting. Indien de aangewezen personen niet in staat zijn om in voorkomend geval tijdelijk de functie van commissaris op zich te nemen, verzoekt de stichting de rechtbank om twee personen als commissaris aan te wijzen.”

Per 1 juli 2017 heeft de VTW een Hulplijn Commissarissen. VTW-directeur Albert Kerssies is de contactpersoon voor deze hulplijn. De hulplijn vervangt de Adviesgroep Bestuurlijke Vraagstukken die kon worden geraadpleegt bij een probleem.  Het telefoonnummer van de hulplijn is: 06 15 88 85 66.

Het bestuur en de Adviesgroep, onder voorzitterschap van prof. dr. Jaap van Manen RA, concluderen o.b.v. een ledenenquête dat de drempel  om de Adviesgroep te benaderen voor leden te hoog is. Daarom is nu een laagdrempelige Hulplijn Commissarissen ingesteld.

Wie en Wanneer

In beginsel kunnen zowel individuele leden van een RvC als de RvC als collectief, via de  Hulplijn Commissarissen advies vragen indien sprake is van een probleem. Hierbij gaat het  om een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden van een (dreigende) onenigheid of een misstand, waaronder begrepen tegenstrijdige belangen en integriteitsproblemen bij een woningcorporatie en waarbij een maatschappelijk belang in het geding is.

Indien individuele leden van de RvC te maken krijgen met een probleem hebben zij in beginsel de verplichting om dit probleem binnen de RvC aan de orde te stellen op de wijze zoals bepaald in de interne regelgeving van de betrokken woningcorporatie.
In geval van een verschil van inzicht tussen individuele commissaris(sen) die het probleem hebben geconstateerd en overige commissarissen kunnen de individuele commissarissen een advies vragen via de Hulplijn Commissarissen.

Vertrouwelijk

Alle informatie die verband houdt met de adviesvraag wordt vertrouwelijk behandeld en niet zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de verzoeker ter beschikking gesteld of vrijgegeven aan derden.

Contactgegevens

VTW-directeur Albert Kerssies is de contactpersoon voor de hulplijn en kan op en buiten werktijd worden gebeld op een speciaal telefoonnummer: 06 15 88 85 66.  Daarnaast heeft de VTW contacten met experts die, na consultatie door de VTW-directeur, kunnen worden geraadpleegd voor specifieke vragen.

Het gaat om de volgende expertises: 

  • Governance
  • Wet en regelgeving
  • Integriteit
  • De psychologie van intern toezicht en persoonlijke situatie

De VTW wil (individuele leden van) RvC's verschillende instrumenten aanbieden om te helpen problemen in de raad op te lossen en zodoende het functioneren van de raad te verbeteren. Naast advisering door de adviesgroep bestuurlijke vraagstukken is dat mediation, dus bemiddeling.

Wanneer mediation?

Het hoeven bepaald niet alleen hoogopgelopen ruzies met slaande deuren te zijn, waarbij de inzet van mediation zinvol is. Ook bij sluimerende spanningen, persoonlijke wrijvingen en een slechte sfeer kan het goed zijn een neutrale onafhankelijke derde in te schakelen. Die zorgt ervoor dat kwesties open en eerlijk tegen elkaar uitgesproken worden en dat afspraken gemaakt worden die tot een betere samenwerking leiden.

Voorbeelden van situaties waarin mediation u kan helpen:

  • Uw RvC functioneert stroef. Regelmatig komen fricties en irritaties aan de oppervlakte. Wat precies de oorzaken zijn weet u niet: er spelen allerlei dingen door elkaar. Eén ding is zeker: zo wilt u niet verder.
  • U hebt iedere keer weer problemen met één of twee collega's in uw RvC: hun inbreng is beneden de maat, hun gedrag is niet constructief. Maar ze laten zich daar niet op aanspreken. Het is onduidelijk wat de andere leden ervan vinden. U wilt hier eens een open discussie over
  • De samenwerking tussen uw RvC en het bestuur verloopt moeizaam. Kennelijk zijn er verschillen in visie op de rolverdeling. De leden van de RvC lijken ook niet allemaal op één lijn te zitten. Dit moet eens flink uitgepraat worden.

Wat is mediation?

Mediation is een vorm van conflictoplossing waarbij de betrokkenen zelf samen tot een oplossing te komen. Ze worden daarbij geholpen door een neutrale gespreksleider, de mediator. Die beheerst de gesprekstechnieken op grond waarvan duidelijk wordt wat precies de irritaties en bezwaren van alle betrokkenen zijn en waar ze op uit zijn, dus waar hun wensen en belangen liggen. Zo ontstaat ruimte en inzicht waardoor oplossingen kunnen worden gevonden die voor iedereen acceptabel zijn. De mediator hakt dus geen knopen door, dat doen de betrokkenen zelf, maar zorgt wel dat de knopen ontward worden en dat overeenstemming over concrete oplossingen bereikt wordt.

Onpartijdig voorzitterschap

Vergaderingen of bijeenkomsten waarin controversiële kwesties worden besproken, die vaak ook nog complex zijn, kunnen het best geleid worden door iemand die zich volledig op het vergaderproces kan concentreren en die door alle deelnemers als neutraal wordt gezien. Mediators beheersen die rol bij uitstek.

De mediators

De VTW-pool bestaat uit mediators met de volgende kenmerken:

  • Ze zijn MfN registermediator, dat wil zeggen dat ze opereren binnen het kwaliteitssysteem van de Mediators federatie Nederland.
  • Ze zijn vertrouwd met de ins en outs van het toezicht op woningcorporaties; ze zijn dus goed op de hoogte van governance vraagstukken en van de ontwikkelingen in de sector; ze zijn doorgaans zelf lid van een RvC of ze zijn dat geweest.

Momenteel maken deel uit van de pool:

U kunt zelf rechtstreeks contact opnemen met de mediator van uw keuze of contact zoeken via het bureau van de VTW. Aan het inschakelen van een mediator zijn kosten verbonden.

Thema's

Op 1 januari 2013 is de Wet Normering bezoldiging Topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) in werking getreden. De WNT stelt een wettelijk maximum aan de bezoldiging van bestuurders en hoogst leidinggevenden in de publieke en semipublieke sector en bevat regels over het openbaar maken van de bezoldiging.

Woningcorporaties vallen in het strengste regime. Daarbij mag de bezoldiging niet uitstijgen boven een maximumnorm van 130 procent van een ministersalaris. Dit maximum is per 1 januari 2015 verlaagd naar 100 procent, via de Wet Verlaging bezoldigingsmaximum WNT (WNT2). Dit verlaagde maximum geldt voor de corporatiesector eerst per 1 januari 2016.

U kunt de WNT hier bekijken.

Regeling kalender 2014

Met ingang van 1 januari 2014 is de bezoldiging van topfunctionarissen bij woningcorporaties verder gemaximeerd door de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen toegelaten instellingen volkshuisvesting 2014, de zogeheten Blok-staffel. Deze staffel kent een klassenindeling op grond van het aantal verhuureenheden van de corporatie en de grootte van de gemeente waar het grootste deel van het woningbezit gelegen is. De staffel 2014 vervangt de staffel 2013 die door de Rechtbank Den Haag op 30 oktober 2013 buiten toepassing is verklaard.

Regeling kalenderjaar 2015

Conform het overgangsrecht van de WNT2 is ook voor 2015 de Regeling voor het kalenderjaar 2014 van toepassing. Dit geldt ook voor de bovenkant van de schaalindeling. Voor bezoldigingsklasse J zal de norm van € 230.434 blijven gelden. Lees de brief hierover van minister Blok aan de Tweede Kamer.

Regeling kalenderjaar 2016

De Regeling voor het kalenderjaar 2016 is in november 2015 vastgesteld door de minister voor Wonen en Rijksdienst. Op basis van het voorstel van de VTW en NVBW zijn de bovenste drie klassen H, I en J van de huidige staffel samengevoegd tot één klasse waarvoor het verlaagde bezoldigingsmaximum van de WNT2 geldt, zijnde € 179.000. De bestaande bezoldigingsklassen A t/m G blijven ongewijzigd, wel zijn de maximumbedragen per bezoldigingsklasse geïndexeerd.

Regeling kalenderjaar 2017

De Regeling voor het kalenderjaar 2017 is aangepast op basis van de loonontwikkeling bij ambtenaren. De bezoldigingsmaximum voor de WNT en de hoogste bezoldigingsklasse H van de Regeling, bedraagt per 1 januari 2017 € 181.000.

NB De jaarsalarissen in de Tabel met indicatieve bedragen bruto beloningen behorend bij bezoldigingsmaximum per klasse voor het jaar 2017 zoals opgenomen in de Regeling van 23 november 2016, zijn vanaf C te hoog a.g.v. rekenfouten. Bekijk hier de door Axyos berekende indicatieve bedragen bruto beloningen.

Regeling kalenderjaar 2018

De Regeling voor het kalenderjaar 2018 is aangepast op basis van de loonontwikkeling bij ambtenaren. De bezoldigingsmaximum voor de WNT en de hoogste bezoldigingsklasse H van de Regeling, bedraagt per 1 januari 2018 € 187.000.

Bepalen toepasselijke maximum WNT-staffel

Eerst moet worden vastgesteld in welke bezoldigingsklasse de corporatie valt (tabel op pagina 3 van de regeling), aan de hand van het aantal vhe van de corporatie en het inwonertal van de gemeente waar de corporatie minimaal 20% van haar bezit heeft of waar de corporatie het grootste deel van haar bezit heeft. Vervolgens kan worden bepaald wat het voor de betreffende bezoldigingsklasse bijbehorend bezoldigingsmaximum van de bestuurder is (staffel op pagina 1 van de regeling).

Berekenen WNT-bezoldiging

Bekijk de notitie over het berekenen van de WNT-bezoldiging voor het maken van (nieuwe) beloningsafspraken met een bestuurder die Axyos WNT Advies op verzoek van de VTW heeft opgesteld. De in maart 2015 geactualiseerde handleiding houdt rekening met de werkkostenregeling die per 1 januari 2015 verplicht geldt.

Het werkgeversaandeel premie vroegpensioen OVP/VPL valt onder ''voorzieningen voor beloningen betaalbaar op termijn'' en dient dus tot de WNT-bezoldiging te worden gerekend. Zie ook het antwoord van BZK op de website www.topinkomens.nl en de toelichting over artikel 2 lid 1q WNT in de Uitvoeringsregeling WNT.

Splitsing WNT-bezoldiging in salaris, pensioenpremies etc.

De WNT-bezoldiging bestaat uit salaris, pensioenpremies en andere bezoldigingscomponenten. Op verzoek van VTW heeft Axyos WNT Advies een Splitsingstool (Excel) ontwikkeld waarmee de bezoldiging gemakkelijk kan worden omgerekend naar een uit te betalen maandsalaris. De berekening hoeft dan alleen nog voor een review te worden voorgelegd aan de accountant. 
NB Het Excel-bestand maakt gebruik van macro’s en werkt daarom niet op een tablet.

Bezoldiging topfunctionarissen niet in dienstbetrekking

De beloning voor een interim-opdracht is per 1 januari 2018 gemaximeerd op € 25.300 per maand voor de eerste 6 kalendermaanden en € 19.100 per maand voor de 7e t/m de 12e kalendermaand  (was per 1 januari 2017 respectievelijk € 24.500 en € 18.500 per maand). Voor een interim-opdracht van een jaar is de maximum bezoldiging € 266.400. Dit is ruim 40% hoger dan de algemene WNT-norm. Daarnaast is het uurtarief de eerste 12 maanden gemaximeerd op € 182 (was per 1 januari 2017 € 176). De bedragen en uren mogen vrij worden verdeeld over de maanden, het normbedrag voor de gehele opdracht mag niet worden overschreden.

Vanaf de 13e maand geldt het voor de instelling het toepasselijke maximum(jaar)bedrag van de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen toegelaten instellingen volkshuisvesting. 

De definitie van bezoldiging voor functionarissen niet in dienstbetrekking is per 1 januari 2016 aangescherpt. De bezoldiging wordt berekend inclusief de kosten die in rekening worden gebracht voor werving, selectie, begeleiding en bureaukosten, maar exclusief btw.

Tot en met 2015 werd de sectornorm vanaf de start van de opdracht toegepast voor alle opdrachten met een looptijd langer dan 6 maanden. Vanaf 2016 zijn dus ook de opdrachten korter dan 6 maanden genormeerd, maar wordt tegelijkertijd een aanzienlijk hogere norm toegepast. De regelgeving kan ook worden toegepast voor het inlenen van topfunctionarissen in concernverband. Voor lopende opdrachten per 1 januari 2016 is overgangsrecht van toepassing.

Overgangsrecht WNT

Voor corporatiebestuurders op wie het overgangsrecht van toepassing is, start de afbouw van de bezoldiging als de eerste vier jaar van het overgangsrecht zijn verstreken. In de praktijk is dit meestal in 2018 en soms, bij de bestuurders van grotere corporaties, in 2017 of 2020.
Voor RvC's die te maken hebben met de afbouw van de bezoldiging van de bestuurder, heeft de VTW de 'Handreiking afbouw bezoldiging bestuurder' beschikbaar. De handreiking is op verzoek van de VTW opgesteld door Axyos WNT Advies en geeft toelichtingen, praktische tips en oplossingen voor situaties waarin de bezoldiging van de bestuurder moet worden afgebouwd. Hierbij wordt uitgegaan van de veranderde regelgeving voor de afbouw waarbij rekening mag worden gehouden met eerdere vrijwillige verlagingen van de bezoldiging. De nieuwe regels mogen ook nog bij de afbouw van de bezoldiging in 2017 worden toegepast. 
NB De Rekentool van www.topinkomens.nl houdt geen rekening met de nieuwe regels voor eerdere vrijwillige verlagingen (beleidsregels WNT 2018, artikel 11a) die ook nog bij afbouw in 2017 mogen worden toegepast. Als de Rekentool hierdoor niet de juiste uitkomst oplevert, kan de toegestane bezoldiging in 2018 (en 2017) worden berekend via www.wntgids.nl/problemen-met-rekentool.

Vragen over de WNT

Meer informatie over de WNT vindt u op www.topinkomens.nl/ van de Rijksoverheid. Hier kunt u ook terecht met vragen. U kunt uw vragen natuurlijk ook aan het VTW-bureau stellen.

Graag wijzen wij u ook op de bovengenoemde website www.wntgids.nl/ van Axyos WNT Advies met antwoorden op vaak voorkomende vragen en tips voor WNT-vraagstukken en het beheersen van de administratieve WNT-lasten. 

De Woningwet 2015 bepaalt in artikel 25 lid 2 en artikel 30 lid dat commissarissen en bestuurders worden getoetst op geschiktheid voor het lidmaatschap van de Raad van Commissarissen (RvC) en bestuur en op betrouwbaarheid. Voorgenomen benoemingen of herbenoemingen van bestuurders en commissarissen moeten voor een zienswijze worden voorgelegd aan de Autoriteit woningcorporaties (Aw). Uit deze toets volgt een positieve of negatieve zienswijze. Een (her)benoeming zonder zienswijze of bij negatieve zienswijze is onrechtmatig. De Aw kan bij een (her)benoeming zonder zienswijze of bij negatieve zienswijze gebruik maken van haar sanctie-instrumentarium.

Autoriteit woningcorporaties
De Aw houdt integraal toezicht op de woningcorporatiesector. Centraal in dit toezicht staat de governance van de corporaties; de wijze waarop het interne toezicht en de ‘checks and balances’ functioneren. De geschiktheid- en betrouwbaarheidstoets die de Aw namens de minister uitvoert, speelt hierin een belangrijke rol.

Beoordelingskader
De geschiktheid- en betrouwbaarheidstoets is uitgewerkt in het Besluit Toegelaten Instelingen Volkshuisvesting 2015 (BTIV) en de Regeling Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting 2015 (RTIV). In het Beoordelingskader Geschiktheid en Betrouwbaarheid (december 2016) beschrijft de Aw hoe zij beoordeelt of een (toekomstige) bestuurder of commissaris van een woningcorporatie betrouwbaar en geschikt is om die functie te vervullen. Het kader geeft ook aan hoe het proces van de geschiktheid- en betrouwbaarheidstoets verloopt en hoe de zienswijze inhoudelijk tot stand komt.

Hieronder staat een verkorte weergave van het beoordelingskader.

Het Toetsdossier

De melding
De RvC is verantwoordelijk voor de (her)benoeming van commissarissen en bestuurders. Een melding voor een zienswijze van de minister in het kader van de (her)benoeming van een bestuurder of commissaris van een woningcorporatie wordt door de RvC-(vice)voorzitter bij de Aw ingediend. De melding gebeurt digitaal met gebruikmaking van het meldingsformulier Melding Zienswijze (her)benoeming directeur-bestuurder en lid van de raad van toezicht van toegelaten instellingen volkshuisvesting (pdf), voorzien van bepaalde documenten.

In verband met de wettelijke termijnen voor de afgifte van een zienswijze en ruimte voor eventuele aanvulling van informatie, verzoekt de Aw een melding ten minste 9 weken voor de beoogde benoemingsdatum in te dienen. Om een zeer lange periode tussen de indiening van de melding en de voorgenomen (her)benoemingsdatum te voorkomen, heeft de Aw bepaald dat de voorgenomen (her)benoemingsdatum moet liggen binnen zes maanden na afgifte van de zienswijze.

Na een negatieve zienswijze of een terugtrekking van een kandidaat als gevolg van een voorgenomen negatieve zienswijze is het na 6 maanden mogelijk opnieuw een melding in te dienen voor dezelfde kandidaat voor dezelfde functie bij dezelfde woningcorporatie. In dat geval dient aangetoond te worden op welke punten de kandidaat zich heeft ontwikkeld, bijvoorbeeld door het volgen van een cursus of het doorlopen van een ontwikkeltraject.

Ten aanzien van interim bestuurders of -commissarissen geldt dat een geschiktheid en betrouwbaarheidtoets niet verplicht is indien de interim periode maximaal drie maanden duurt. Indien de interim periode de drie maanden overschrijdt, bij aanvang dan wel na verlenging, dient de kandidaat voor een zienswijze te worden voorgedragen.

Meldingsformulier

Het meldingsformulier bestaat uit een aantal onderdelen:

  1. Gegevens over de woningcorporatie.
  2. Gegevens over de kandidaat.
  3. Functiegegevens.
  4. Onverenigbaarheden, inclusief strijdigheid met bepaling over het maximum aantal functies zoals gesteld in de Wet Bestuur en Toezicht. Meer informatie over maximum aantal functies.
  5. Gegevens over eventuele vorige toetsingen.
  6. Referenten (niet nodig bij herbenoeming). Bij een benoeming is het wettelijk verplicht drie referenten op te geven. De Aw kan deze referenten benaderen om de informatie te staven die is aangeleverd.
  7. Bijlagen.
  8. Ondertekening. De aanvraag wordt ondertekend door de RvC-voorzitter of - bij diens afwezigheid of indien deze zelf kandidaat is - de RvC-vicevoorzitter. Niemand ondertekent de aanvraag voor een eigen (her)benoeming.

Overige verplichte documenten
Met het meldingsformulier worden de volgende stukken meegestuurd:

  1. Het curriculum vitae van de kandidaat. Hierop staan ten minste personalia, opleidingen, werkervaring, relevante cursussen, en indien van toepassing recent gevolgde Permanente Educatie en PE-punten en nevenactiviteiten. Bij nevenactiviteiten wordt de kandidaat verzocht in ieder geval alle commissariaten en bestuursfuncties te vermelden en de data van benoeming.
  2. Profiel van de betreffende functie. Bij het onderzoek naar de geschiktheid van de kandidaat spelen de aard van de functie, alsmede de aard en omvang van de werkzaamheden van de corporatie een rol. De corporatie wordt daarom verzocht nadere informatie te leveren over het gehanteerde functieprofiel, waarbij ingegaan wordt op:
    - het doel en de kerntaken van de functie;
    - de benodigde kennis en ervaring;
    - competenties;
    - algemene en specifieke selectiecriteria.
    Daarnaast moet, bij werving voor een RvC, uit het profiel blijken of sprake is van een lid, een voorzitter, of een huurdercommissaris.
  3. Een toelichting op de gevolgde werving- en selectieprocedure. Bij een eerste benoeming in de betreffende functie moet een toelichting op de gevolgde werving- en selectieprocedure worden toegevoegd. Deze toelichting kan, indien sprake is van een herbenoeming in dezelfde functie, vervangen worden door één of meerdere verslagen van de RvC waaruit de geschiktheid van de kandidaat blijkt (zie optionele documenten).
    In de toelichting op de werving moeten alle relevante stappen in de procedure worden vermeld. De volgende punten kunnen aan de orde komen:
    - beschrijving vacature;
    - samenstelling selectiecommissie;
    - is gebruik gemaakt van een extern werving&selectiebureau?;
    - wijze van openbaarmaking vacature;
    - beschrijving selectieproces (brievenselectie, aantal gesprekken, assessment, etc.).
    Een uitgebreide en gedegen onderbouwde toelichting op de gevolgde werving- en selectieprocedure geeft de Aw belangrijk inzicht in de mate van professionalisering van het intern toezicht bij een corporatie.
    Hierbij kan de Handreiking werving, selectie en benoeming commissaris en het Stappenplan werving, selectie en benoeming bestuurder van de VTW behulpzaam zijn.
  4. Een door de aanvrager (voorzitter of vicevoorzitter RvC) opgestelde motivering met gebruikmaking van het formulier Motivering (her)benoeming commissaris van een toegelaten instelling (pdf) of Motivering (her)benoeming bestuurder van een toegelaten instelling (pdf). Deze bestaat uit een algemene motivering waar bijvoorbeeld kan worden ingegaan op de feiten uit het curriculum vitae, de ervaringen bij de selectieprocedure of (bij herbenoeming) het functioneren als commissaris of bestuurder, in relatie tot het functieprofiel. De Aw ziet in het geval van herbenoeming de motivatie graag onderbouwd met prestaties en bijdragen over de afgelopen vier jaar. Daarnaast moet een specifieke motivering worden opgenomen waarin expliciet wordt ingegaan op de afzonderlijke competenties zoals genoemd in bijlage 1 van het BTIV, onderbouwd met relevante voorbeeldsituaties waaruit blijkt dat de kandidaat deze competenties heeft ingezet.
  5. Het matrixformulier. Het Geschiktheidsmatrix Autoriteit woningcorporaties (pdf) Het matrixformulier wordt ingevuld indien sprake is van een benoeming van een kandidaat in de RvC of in een bestuur waarvan meerdere natuurlijke personen deel uitmaken. In dit formulier wordt door de Raad vermeld in welke mate bepaalde kennis, vaardigheden en specialisaties aanwezig zijn. Het betreft de terreinen:
    - governance,;
    - volkshuisvesting (inclusief de relatie met stakeholders);
    - vastgoedontwikkeling en -beheer;
    - financiën en control;
    - juridische zaken;
    - overige relevante kennis en ervaring.
    Idealiter zijn in het team kennis en vaardigheden op alle terreinen aanwezig en wordt bij vertrek van een bepaalde expertise gericht naar vervanging daarvan gezocht. Ingeval van een twee- of meerhoofdig bestuur kan worden volstaan met een op het bestuur van de betreffende instelling toegesneden matrix.
  6. Betrouwbaarheidsformulier. Het door de kandidaat ingevulde en ondertekende Bijlage Betrouwbaarheidsonderzoek (her)benoemingen bestuurders en leden raad van toezicht (pdf) moet volledig en naar waarheid worden ingevuld, waarbij alle relevante antecedenten worden vermeld. Het onjuist of onvolledig invullen van het formulier kan consequenties hebben voor het betrouwbaarheidsoordeel.
  7. Verklaring Omtrent het Gedrag Natuurlijke Personen. De door de kandidaat verkregen VOG, gericht op de "benoeming als (directeur)bestuurder of intern toezichthouder/ commissaris van een woningcorporatie/toegelaten instelling” wordt aangevraagd door middel van het door de Aw beschikbaar gestelde digitale formulier Aanvraagformulier VOG NP (docx). Dit formulier is reeds voor zover mogelijk ingevuld. 
    NB1: Woningcorporaties kunnen de aanvraag voor een VOG digitaal voorbereiden bij screeningsautoriteit Justis. Daarmee hoeft de kandidaat bestuurder of commissaris niet meer naar het gemeentehuis. Meer informatie.
    NB2: Commissarissen of bestuurders woonachtig in het buitenland die niet (meer) ingeschreven staan bij een Nederlandse gemeente moeten hun VOG aanvraag rechtstreeks bij Justis indienen.
    NB3: Justis accepteert aanvragen via het formulier met voettekst 'Juli 2016' niet meer na 31 maart 2017.
    De screening vindt plaats op de volgende functieaspecten:
    - Met gevoelige/vertrouwelijke informatie omgaan.
    - Kennis dragen van veiligheidssystemen, controlemechanismen en verificatieprocessen.
    - Met contante en/of girale gelden en/of (digitale) waardepapieren omgaan.
    - Budgetbevoegdheid hebben.
    - Beslissen over offertes (het voeren van onderhandelingen en het afsluiten van contracten) en
      het doen van aanbestedingen.
    - Personen die vanuit hun functie mensen en/of een organisatie (of een deel daarvan) aansturen.

Optionele documenten
Het is mogelijk aanvullende documenten mee te sturen die de Aw zal betrekken bij het komen tot een zienswijze over de kandidaat. Het gaat om de volgende documenten:

  1. Assessmentrapport. Indien een toegelaten instelling bij de werving van een kandidaat diens geschiktheid via een assessment heeft laten vaststellen, kan zij het desbetreffende rapport bij de melding meesturen. Indien het rapport in voldoende mate inzicht geeft in de competenties van de kandidaat zoals geformuleerd in de bijlage 1 van het BTIV 2015 en er verder geen aanleidingen zijn voor een toetsingsgesprek, kan de Aw afzien van een toetsingsgesprek met de kandidaat. Om betrokken te kunnen worden bij de geschiktheid en betrouwbaarheidtoets moet het rapport opgesteld zijn door een registerpsycholoog NIP/Arbeid & Organisatie en ingaan op alle competenties waarop de kandidaat wordt beoordeeld, onderbouwd met voorbeeldsituaties.
  2. In geval van kandidaat lid RvC: beoordeling van RvC-leden. Een beschrijving van de wijze en frequentie van de zelfevaluaties, met de data waarop deze de afgelopen 4 jaar hebben plaatsgevonden, waarbij gevoegd de passages uit de gedateerde verslagen van de zelfevaluaties van de RvC met daarin ten minste de op de kandidaat herleidbare constateringen (wat gaat goed, wat kan beter, welke voorwaarden zijn gesteld).
  3. In geval van kandidaat bestuurder: beoordeling van bestuurder(s). Een beschrijving van de wijze en frequentie van de functioneringsgesprekken, met de data waarop deze de afgelopen 4 jaar hebben plaatsgevonden, waarbij gevoegd de passages uit de gedateerde remuneratieverslagen en/of Raadsverslagen met daarin ten minste de op de kandidaat herleidbare constateringen (wat gaat goed, wat kan beter) en gemaakte afspraken.
  4. Sollicitatiebrief kandidaat. De sollicitatiebrief van de kandidaat, indien deze inzicht geeft in bijvoorbeeld de motivatie voor de betreffen de functie, of relevante nevenfunctie.

Ontvangstbevestiging
Na ontvangst van het meldingsformulier en de bijbehorende documenten, stuurt de Aw binnen één week een ontvangstbevestiging. Deze brief kan de volgende informatie bevatten:

  1. Uw melding is compleet. Dit betekent dat de wettelijke termijn van 4 weken, eenmalig te verlengen met 4 weken, ingaat op de dag waarop de melding compleet is ingediend. De wettelijke termijn wordt vermeld in de ontvangstbevestiging.
  2. Uw melding is niet volledig. Dit betekent dat is vastgesteld dat bepaalde documenten ontbreken, dan wel niet correct zijn ingevuld of aangeleverd. De aanvrager wordt geïnformeerd welke informatie ontbreekt en in de gelegenheid gesteld binnen twee weken na de dagtekening van de brief de betreffende informatie aan te leveren. Indien na twee weken de gevraagde informatie niet is ontvangen, dan wel nog steeds niet volledig is, dan wordt de aanvrager geïnformeerd dat de melding niet in behandeling wordt genomen en het reeds ontvangen dossier wordt vernietigd. Consequentie hiervan is dat de (her)benoeming geen doorgang kan vinden omdat er geen zienswijze is uitgebracht.
  3. De beoogde benoemingsdatum ligt vóór de datum van de melding, dan wel laat geen ruimte voor de wettelijke behandelingstermijn. De melding wordt wel op de gebruikelijke wijze in behandeling genomen, maar de aanvrager wordt er op gewezen dat, mocht de benoeming al hebben plaatsgevonden voordat de zienswijze is ontvangen, deze in strijd is met de inhoud van de wet en derhalve nietig. Deze nietigheid heeft mogelijk ook gevolgen voor de rechtsgeldigheid van besluiten waarbij de kandidaat betrokken is geweest. De benoeming moet opnieuw plaatsvinden, als de eerdere benoeming nietig is.
  4. De beoogde benoemingsdatum is later dan zes maanden na de wettelijke behandelingstermijn van 8 weken. De melding wordt niet in behandeling genomen en de aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld een nieuw meldingsformulier in te dienen met een aangepaste benoemingsdatum, dan wel de melding op een later moment opnieuw in te dienen. Hierbij moet de aanvrager rekening houden met de geldigheidsduur van de VOG.

Spoedverzoeken
Er kan aanleiding zijn met spoed een commissaris of bestuurder te benoemen, bijvoorbeeld in het geval van ontstentenis of belet van een bestuurder of commissaris. In die gevallen kan de Aw worden verzocht de melding met voorrang te behandelen door voorafgaand aan het indienen van het (complete) meldingdossier contact op te nemen met de Aw via het Meld- en Informatiecentrum van de ILT (088-489 00 00) of via het vragenformulier op www.ilent.nl). Een spoedverzoek moet schriftelijk onderbouwd worden door de voorzitter RvC. De Aw behoudt zich het recht voor een melding al dan niet met voorrang in behandeling te nemen en beoordeelt ieder verzoek afzonderlijk.

Het toetsproces

Termijnen
De procedure om te komen tot een zienswijze start met de ontvangst van het complete meldingdossier. De wettelijke termijn waarbinnen de zienswijze moet worden verstrekt is vier weken, gerekend vanaf de dag waarop de melding compleet is ingediend, en is eenmalig te verlengen met een termijn van ten hoogste vier weken. Tegen een zienswijze kunnen belanghebbenden binnen de wettelijke termijn van zes weken bezwaar maken. De (her)benoeming dient binnen zes maanden na dagtekening van de zienswijze brief geëffectueerd te zijn.

Bronnen
Bij het komen tot de zienswijze betrekt de Aw:

  • Alle relevante en beschikbare informatie over de kandidaat.
  • Alle relevante en beschikbare informatie over de woningcorporatie.
  • De aard en zwaarte van de functie waarvoor de kandidaat in aanmerking wordt gebracht.
  • De aard en omvang van de werkzaamheden van de woningcorporatie in de periode waarvoor de kandidaat (her)benoemd wordt.

De Aw voert hiertoe onderzoek uit en heeft daarvoor diverse bronnen tot haar beschikking. Doel van het bronnenonderzoek is te komen tot een samenhangend oordeel over de kennis, vaardigheden, ervaring en het gedrag van de kandidaat in relatie tot de aard en zwaarte van de functie en de aard en omvang van de werkzaamheden van de woningcorporatie voor de beoogde (her)benoemingsperiode. Dit betekent dat een positieve zienswijze van de Aw altijd tijd- en situatiespecifiek is. De kandidaat is niet per definitie geschikt voor dezelfde functie bij een andere woningcorporatie of voor een andere functie bij dezelfde woningcorporatie. Uitzondering hierop zijn tussentijdse verschuivingen binnen de RvC: een lid van een RvC hoeft bij een voorgenomen benoeming tot voorzitter (of vice versa) binnen de lopende periode van vier jaar niet opnieuw getoetst te worden door de Aw. Omgekeerd geldt dat bij een negatieve zienswijze de kandidaat niet per definitie ongeschikt is als bestuurder of commissaris bij een andere woningcorporatie.

Toetsingscriteria
De Aw werkt bij iedere melding selectief en risicogericht. Dit houdt in dat voor de drie elementen van de zienswijze (kandidaat, functie, corporatie) gekeken wordt naar objectieve criteria, risico’s vanuit casuïstiek, en signalen en meldingen van derden. Hierbij hanteert de Aw de volgende toetscriteria:

  • De kandidaat voldoet op basis van zijn CV aan de in het functieprofiel gestelde
    functie-eisen:
    • De kandidaat beschikt over het vereiste werk- en denk/opleidingsniveau.
    • De kandidaat beschikt over voor de functie relevante (werk)ervaring.
    • De kandidaat beschikt over de voor de functie vereiste vakinhoudelijke kennis.
  • De kandidaat voldoet aan de in bijlage 1 van het BTIV 2015 gestelde competenties, blijkend uit bijvoorbeeld:
    • Een assessmentrapportage, opgesteld door een registerpsycholoog NIP/Arbeid & Organisatie, waarin voldoende inzicht wordt gegeven in alle voorgeschreven competenties van de kandidaat en onderbouwd met voorbeeldsituaties.
    • (Telefonisch) gesprek met referenten.
    • (Telefonisch) gesprek met de kandidaat.
    • Voldoende ingevuld motivatieformulier, onderbouwd met voorbeeldsituaties waaruit de competenties van de kandidaat blijken, eventueel aangevuld met een telefonisch gesprek met de voorzitter van de RvC.
  • De aard en zwaarte van de beoogde functie sluiten aan bij het profiel van de kandidaat.
  • De aard en omvang van de werkzaamheden van de corporatie sluiten aan bij het profiel van de kandidaat.
  • De voorgenomen benoeming is niet in strijd met de bepaling over het maximum aantal functies zoals gesteld in de Wet Bestuur en Toezicht.
  • De betrouwbaarheidtoets heeft geen negatieve bijzonderheden opgeleverd. Er is sprake van onafhankelijkheid, zoals vereist in de Woningwet artikel 25 lid 4 sub h en artikel 30 lid 5.
  • Er is geen sprake van onverenigbaarheden, zoals vereist in de Woningwet artikel 25 l id 4 en artikel 30 lid 6.
  • De kandidaat commissaris vervult geen andere commissariaten bij woningcorporaties in één woningmarktgebied. De Aw hanteert hierbij het beginsel ‘nee, tenzij’. Dit betekent dat een uitzondering op deze regel wordt gemaakt indien de woningcorporatie door middel van een schriftelijke onderbouwing, gevoegd bij de melding, aannemelijk weet te maken dat de betreffende corporaties op geen enkele wijze raakvlakken of overlap van werkzaamheden hebben.
  • Er zijn geen bijzonderheden voortgekomen uit het antecedenten en open bronnenonderzoek.

Aan de hand van deze criteria en op basis van de bronnen komt de Aw tot een gewogen oordeel. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een beoordelingsformulier om de uitkomsten vast te leggen. In dit formulier wordt, indien aan de orde, een beknopt verslag van het gesprek opgenomen. Over iedere competentie wordt een oordeel gegeven aan de hand van drie keuzemogelijkheden: ‘aandachtspunt/te compenseren door team’, ‘voldoet aan de eisen’ of kwaliteit/typerend’. De toetsingscommissie beoordeelt de competenties in samenhang en betrekt dit bij haar totaalbeeld van de kandidaat en de corporatie. Dit wil zeggen dat een lage score op één of meerdere competenties niet per definitie leidt tot een negatieve zienswijze indien de toetsingscommissie van oordeel is dat dit wordt gecompenseerd door andere competenties of door andere leden van de Raad.

Toetsingsgesprek
Een gesprek wordt gepland indien uit de beschikbare bronnen naar de mening van de Aw onvoldoende informatie is verkregen waaruit blijkt dat de beoogde kandidaat geschikt is voor de functie bij de betreffende woningcorporatie. Daarnaast wordt (vooralsnog) altijd een gesprek gepland indien sprake is van de volgende situaties:

  • Een voorgenomen benoeming tot bestuurder.
  • Een voorgenomen benoeming tot voorzitter RvC.
  • Een corporatie onder verscherpt toezicht van Aw of in bijzonder beheer van WSW (zowel latende als ontvangende corporatie).
  • Zwaarwegende signalen van derden over kandidaat en/of corporatie.
  • Toetreder als commissaris zonder toezichtervaring.

Het gesprek vindt plaats op het kantoor van de Aw te Utrecht en wordt gevoerd door 2 á 3 mensen namens de Aw. Bij de samenstelling van de toetsingscommissie voor het gesprek is van belang dat er geen belangenconflicten spelen en dat de onafhankelijkheid gegarandeerd blijft. Voorop staat dat een gesprek door meerdere personen gevoerd wordt om zoveel mogelijk objectiviteit te bewerkstelligen.
De commissie staat onder leiding van een medewerker van het team Geschiktheid en Betrouwbaarheid (afdeling vergunningverlening). Deze medewerker is voorzitter tijdens het gesprek, is verantwoordelijk voor de besluitvorming en ondertekent de zienswijze. De focus van deze medewerker ligt op het toetsen van de competenties. Daarnaast zit in principe de Aw toezichthouder van de betreffende corporatie in de commissie, tenzij er gegronde redenen zijn van deelname af te zien. De Aw toezichthouder neemt actief deel aan het gesprek en richt zich met name op kennis van de woningcorporatie, de opgaven van de corporatie en meer vakinhoudelijke kennis. De Aw toezichthouder heeft ten aanzien van de geschiktheid van de kandidaat een adviserende rol naar de voorzitter van de commissie. De commissie kan worden aangevuld met iemand met een gedragskundige of bestuurskundige achtergrond.

Een gesprek duurt gemiddeld 1,5 uur. Tussentijds kan een pauze worden ingelast. Dit geeft de kandidaat de gelegenheid na te gaan of hij aanvullende informatie wil verstrekken of eerdere uitspraken nader wil toelichten. De commissie gebruikt dit moment om onderling te bepalen welke punten in het vervolg van het gesprek nog aan de orde moeten komen. Over het algemeen zal het gesprek starten met de vraag naar de motivatie van de kandidaat voor (her)benoeming in de betreffende functie. Ook wordt gevraagd naar de onafhankelijkheid van de kandidaat, bijvoorbeeld of de kandidaat reeds leden van de RvC, bestuur of medewerkers van de woningcorporatie kende. In het verslag wordt tevens een oordeel opgenomen over de vakinhoudelijke kennis van de kandidaat op het gebied van volkshuisvesting, wonen en vastgoed, financiën, governance en juridische kennis.
De commissie stelt voorts gericht vragen om te toetsen in welke mate de kandidaat over de competenties beschikt zoals opgenomen in bijlage 1 van het BTIV en maakt hierbij gebruik van de STAR (R) - methodiek. De kandidaat wordt gevraagd de inzet van zijn competenties zoveel mogelijk te illustreren door middel van concrete voorbeeldsituaties en zijn rol in deze situaties.

Positieve zienswijze
Wanneer de commissie uit het gesprek voldoende indicatie heeft gekregen dat de kandidaat geschikt is voor de voorgedragen functie, dan wordt doorgaans binnen enkele werkdagen een positieve zienswijze opgemaakt en per post verzonden. De zienswijze wordt tevens gemaild aan de voorzitter van de RvC, in afschrift aan de kandidaat.
De zienswijze wordt getekend door de voorzitter van de toetsingscommissie en verzonden namens de minister voor Wonen en Rijksdienst.

Tweede gesprek
Indien de commissie na het gesprek onvoldoende beeld van de kandidaat heeft verkregen of (op punten) twijfelt aan de kennis of competenties van de kandidaat die voor de betreffende functie benodigd zijn, wordt een tweede gesprek gepland. Bij dit gesprek zit één lid van de eerste commissie, aangevuld met één of twee leden die geselecteerd zijn op basis van hun expertise ten aanzien van de punten waarover twijfels bestaan. Over dit voornemen wordt telefonisch afgestemd met de kandidaat, waarbij op hoofdlijnen wordt aangegeven op welke punten meer duidelijkheid wordt verlangd, en vervolgens met de voorzitter van de RvC.

Negatieve zienswijze
Wanneer de commissie niet tot een positieve zienswijze kan komen, neemt de commissievoorzitter telefonisch contact op met de kandidaat en vervolgens met de voorzitter RvC. In dit gesprek wordt gemotiveerd waarom op dat moment geen positieve zienswijze kan worden verstrekt. Dit kan leiden tot een terugtrekking van de kandidaat door de woningcorporatie of tot de afgifte van een negatieve zienswijze.

‘On desk’ beoordeling
Indien geen sprake is van de situaties zoals hiervoor benoemd, en op voorwaarde dat bij de melding voldoende aanvullende informatie is overlegd, wordt de melding in principe ‘on desk’ beoordeelt op basis van de documenten die de toegelaten instelling heeft overlegd, aangevuld met de overige bronnen die de Aw tot haar beschikking heeft. De Aw streeft ernaar zienswijzen die op basis van een ‘on desk’ beoordeling tot stand zijn gekomen binnen twee weken af te ronden. Een kandidaat die eerder een positieve zienswijze heeft ontvangen na een gesprek met de Aw zal eerder in aanmerking komen voor een beoordeling ‘on desk’. Een bron die zwaar meeweegt in deze beoordeling is informatie vanuit het proces van werving & selectie en de mate waarin inzicht wordt verstrekt in dit proces en de op de kandidaat gerichte uitkomsten daarvan. De Aw verkrijgt hiermee inzicht in de wijze waarop de corporatie omgaat met werving en selectie. De Aw verkrijgt zo ook inzicht in de competenties van de kandidaat. Bij eerste benoemingen kan het een extern assessmentrapport betreffen, bij herbenoemingen informatie over de kandidaat vanuit zelfevaluatie van RvC-leden of vanuit Remuneratie van bestuursleden, aangevuld met informatie over de prestaties en bijdragen in de voorgaande periode. Als uit deze beoordeling en eventuele aanvullende informatie naar de mening van de beoordelaars onvoldoende inzicht in de kandidaat is ontstaan, dan wordt alsnog een gesprek gepland, dat fysiek dan wel telefonisch kan plaatsvinden.

De Aw zal daarnaast steekproefsgewijs kandidaten uitnodigen voor een gesprek ten behoeve van het toetsen en aanscherpen van haar eigen werkwijze.

Bezwaar en beroep, klachten en privacy

Bezwaar
Tegen een zienswijze geschiktheid en betrouwbaarheid kan door een belanghebbende bezwaar worden gemaakt door het indienen van een bezwaarschrift. Dit bezwaarschrift moet worden gericht aan de minister voor Wonen en Rijksdienst, p/a Autoriteit woningcorporaties / Inspectie Leefomgeving en Transport, Postbus 16191, 2500 BD Den Haag. De termijn waarbinnen het bezwaarschrift kan worden ingediend bedraagt zes weken na de dag waarop de zienswijze is verzonden. Het bezwaarschrift dient ten minste te bevatten: een ondertekening, een naam en adres van de indiener, de dagtekening, een omschrijving van het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt en de gronden van het bezwaar. Het bezwaarschrift zal worden behandeld door een ambtelijke hoorcommissie en bestaat uit leden die niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de zienswijze.
Het uitgangspunt is dat de bezwaren zullen worden behandeld tijdens een hoorzitting. Na de hoorzitting zal de Aw een beslissing op het bezwaar nemen.

Beroep
Indien de belanghebbende het niet eens is met de beslissing op bezwaar, kan beroep worden ingesteld bij de Rechtbank.

Klachtenprocedure
De Aw maakt gebruik van de klachtenprocedure van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Een klacht over een feitelijke handelwijze, een gedraging van de Aw of een medewerker van de Aw kan worden ingediend via het vragenformulier op de website van de ILT. Op de klachtenpagina staat de procedure nader toegelicht.

Privacy
Het meldingdossier van een kandidaat bevat privacygevoelige informatie. De Aw gaat hier zorgvuldig mee om en neemt daarbij de Wet Bescherming Persoonsgegevens en de Archiefwet in acht. Elke kandidaat kan op verzoek bij de Aw inzage krijgen in zijn persoonlijk dossier.

De VTW kent sinds 2015 een voor alle leden bindende ‘Beroepsregel honorering commissarissen’. De bezoldigingsmaxima in de beroepsregel liggen lager dan in de WNT. Alleen in de hoogste klasse van de beroepsregel is het bezoldigingsmaximum gelijk aan het voor commissarissen geldende wettelijke bezoldigingsmaximum. De beroepsregel is per 2017 op een aantal punten gewijzigd. Onder meer is bepaald dat de maximum bezoldigingsbedragen ieder jaar automatisch worden aangepast o.b.v. de jaarlijkse indexering van de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen toegelaten instellingen volkshuisvesting. In 2018 zal de beroepsregel worden geëvalueerd.

Bekijk de beroepsregel 2015/2016 en beroepsregel 2017 (voor meer informatie over de wijzigingen t.o.v. 2015/2016 zie de oplegnotitie). 

Indexering maximum bezoldigingsbedragen beroepsregel per 2018

Op 12 september 2017 is in de Staatscourant het algemene bezoldigingsmaximum voor topfunctionarissen in dienstbetrekking aangepast o.b.v. de contractuele loonstijging per maand in 2016 van de sector overheid. Deze stijging bedraagt 3,1%.
Dit leidt tot een verruiming van de maximale bezoldiging van commissarissen met 3,1% per 2018 t.o.v. 2017 en daarmee tot onderstaande bedragen. Voortaan wordt naar boven afgerond op een vijftigvoud in euro’s.

Tabel: maximum bedragen beroepsregel (vetgedrukt) en WNT per 2018 

Klasse   Klasse   Maximale bezoldiging  
Regeling
WNT: maximale  
bezoldiging
RvC-lid (10%)
Maximale bezoldiging
RvC-lid
beroepsregel                   
WNT: maximale
bezoldiging
RvC-voorzitter (15%)  
Maximale bezoldiging
RvC-voorzitter
beroepsregel
A A €   87.000 €   8.700 €   6.700  € 13.050 € 10.050
B B €   98.000 €   9.800 €   7.550  € 14.700 € 11.350
C C € 110.000 € 11.000 €   8.450  € 16.500 € 12.650
D D € 118.000 € 11.800 €   9.100  € 17.700 € 13.600
E E € 137.000 € 13.700 € 10.500  € 20.550 € 15.750
F F € 156.000 € 15.600 € 12.000  € 23.400 € 18.000
G G € 176.000 € 17.600 € 13.500  € 26.400 € 20.250
H H € 187.000   € 18.700 € 15.000  € 28.050 € 22.450
I       € 16.450   € 24.650
J       € 18.700   € 28.000


Waarom een aparte beroepsregel

Per 2015 zijn in de WNT de maximumbezoldigingspercentages voor commissarissen verhoogd. Voor een RvC-lid: van 5% naar 10% van het algemene WNT-bezoldigingsmaximum en voor een RvC-voorzitter: van 7,5% naar 15%. Tegelijkertijd is per 2015 het algemene WNT-bezoldigingsmaximum verlaagd van €230.474 naar €178.000.
Deze twee wijzigingen leidden per saldo tot een verruiming van de maximale bezoldiging voor commissarissen met ruim 54% per 2015 t.o.v. 2014. Een verruiming waarvoor de VTW zich destijds ook sterk heeft gemaakt in de richting van BZK en de politiek.

Voor corporatiecommissarissen leidden bovenstaande wijzigingen tot een verruiming van de maximale bezoldiging met 100% per 2015 t.o.v. 2014. Dit kwam omdat de Blok-staffel nog niet was aangepast aan het verlaagde algemene WNT-bezoldigingsmaximum.
Voor de VTW was dit reden om per 2015 de beroepsregel in te voeren. Uitgangspunt van het VTW-bestuur hierbij was: “Recht doen aan de intentie van de WNT om commissarissen substantieel beter te belonen - omdat toezichthouden steeds professioneler wordt en de laatste jaren meer tijd vergt, de risico’s groter zijn geworden en de eisen veel strenger - en tegelijkertijd het voorkomen van de mogelijkheid de bezoldiging excessief te verhogen.”
De beroepsregel verhoogde het bezoldigingsmaximum van commissarissen in klassen A-J per 2015 met 54%, zoals de WNT het bedoeld had.

Toen de minister voor Wonen per 2016 de klassen I en J in de Blok-staffel samengevoegde met H en H aftopte op het (verlaagde) algemene bezoldigingsmaximum, heeft het VTW-bestuur dit niet doorgevoerd in de beroepsregel. Dit was ook niet nodig omdat de bezoldigingsmaxima in klassen I en J op of onder het voor commissarissen geldende wettelijke bezoldigingsmaximum lagen. Hiermee zou bovendien de per 2015 beoogde verruiming van de bezoldingsmaxima voor commissarissen in de klassen I en J, voor een groot deel weer teniet worden gedaan.

De handreiking 'De huurderscommissaris' is aangepast naar aanleiding van de Veegwet wonen. Het is een volledig geactualiseerde uitgave van de VTW en de Woonbond over de voordracht van een huurderscommissaris.

De handreiking biedt RvC's en huurdersorganisaties praktische handvatten voor de invulling van het voordrachtsrecht. De VTW en de Woonbond geven in de handreiking bovendien spelregels en richtlijnen die moeten waarborgen dat enerzijds recht wordt gedaan aan het voordrachtsrecht en die anderzijds tegemoetkomen aan de noodzaak van een kwalitatief goed intern toezicht. Beide organisaties hopen dat zowel de huurdersorganisaties als RvC's volop gebruik gaan maken van de aanbevelingen in de handreiking.

Hieronder staan de aanbevelingen opgesomd en wordt in het kort ingegaan op de veranderingen in de Woningwet voor de huurderscommissaris.

Aanbevelingen VTW en Woonbond m.b.t. voordrachtsrecht

  1. De huurdersorganisatie draagt geen bestuursleden van de huurdersorganisatie voor als huurderscommissaris.
  2. De RvC betrekt de voordragende huurdersorganisatie bij de vaststelling van de (algemene) profielschets voor de RvC.
  3. De RvC en de voordragende huurdersorganisatie overleggen voorafgaand aan de wervings- en selectieprocedure over het gewenste profiel voor de huurderscommissaris. Bij voorkeur dient expliciete overeenstemming te bestaan over het profiel alvorens de wervings- en selectieprocedure wordt gestart.
  4. De RvC en de voordragende huurdersorganisatie stellen gezamenlijk een reglement vast waarin de werkwijze met betrekking tot de bindende voordracht is geregeld.
  5. De voordragende huurdersorganisatie wordt in de gelegenheid gesteld om gebruik te maken van een onafhankelijke externe adviseur die de huurdersorganisatie ondersteunt bij de werving en selectie van de kandidaat-huurderscommissarissen.
  6. De kosten die de voordragende huurdersorganisatie maakt voor de werving en selectie van de kandidaat-huurderscommissarissen worden door de corporatie vergoed op basis van een door de huurdersorganisatie opgestelde begroting.
  7. De RvC en de huurdersorganisatie gaan met elkaar in gesprek als de RvC het niet eens is met de voorgedragen kandidaat-huurderscommissaris.
  8. De huurdersorganisatie en de RvC overleggen één of twee keer per jaar over het algemeen beleid van de corporatie. In dit kader legt de RvC alle commissarisbenoemingen ter informatie voor aan de huurdersorganisatie.
  9. Ook bij de herbenoeming van een huurderscommissaris heeft de huurdersorganisatie het recht om een kandidaat voor te dragen. Deze voordracht kan de aftredende huurderscommissaris of een geheel nieuwe kandidaat betreffen.
    De RvC geeft, bij zijn verzoek om een nieuwe bindende voordracht, gemotiveerd aan of hij de aftredende huurderscommissaris wel of niet graag ziet doorgaan voor een volgende periode. Draagt de huurdersorganisatie een nieuwe kandidaat voor, terwijl de aftredende huurderscommissaris zich wel beschikbaar stelde voor een volgende termijn, dan geeft zij een toelichting op de keuze. Wanneer de huurdersorganisatie de aftredende huurderscommissaris tegen de zin van de RvC niet opnieuw wil voordragen, dan doen de RvC en de huurdersorganisatie er verstandig aan om daarover met elkaar in overleg te treden.
  10. Bij fusie stelt de RvC nieuwe profielschetsen op voor de raad en voor de commissarissen van de fusiecorporatie. Bij een fusie treden alle zittende leden van de verdwijnende rechtspersoon of rechtspersonen af. Zij treden, na selectie op basis van de nieuwe profielschetsen, toe tot de RvC van de verkrijgende rechtspersoon.
    Bij (her)benoeming van huurderscommissarissen, die voorafgaand aan de fusie zitting hadden in de RvC van de verdwijnende rechtspersoon, heeft de huurdersorganisatie de gelegenheid een nieuwe voordracht te doen. Daarbij kan gekozen worden voor een geheel nieuwe kandidaat of voor een herbenoembaar RvC-lid van de verdwijnende rechtspersoon.

Wat bepaalt de Woningwet over de huurderscommissaris?

De Woningwet bepaalt in artikel 31, negende, tiende en elfde lid het volgende:

Lid 9. De statuten bepalen in elk geval dat:

  1. de in het belang van de huurders van woongelegenheden van de toegelaten instelling werkzame huurdersorganisaties als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op het overleg huurders verhuurder gezamenlijk het recht hebben een bindende voordracht te doen voor twee of meer commissarissen, indien de raad van commissarissen uit vier of meer commissarissen bestaat, dan wel een bindende voordracht te doen voor één commissaris, indien die raad uit drie commissarissen bestaat;
  2. indien er geen zodanige huurdersorganisatie is, het in onderdeel a bedoelde voordrachtsrecht berust bij de bewonerscommissies als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op het overleg huurders verhuurder gezamenlijk;
  3. indien geen voordracht als bedoeld in onderdeel a is gedaan op grond van onderdeel a of b, de raad van toezicht er zorg voor draagt dat de huurders van de woongelegenheden van de toegelaten instelling in de gelegenheid worden gesteld om een zodanige voordracht te doen;
  4. de raad van commissarissen bij de benoeming van commissarissen niet aan een voordracht als bedoeld in onderdeel a voorbijgaat, tenzij door die benoeming in strijd met het bepaalde bij of krachtens dit artikel zou worden gekomen, of tenzij de algemene vergadering van een toegelaten instelling die een vereniging is het bindende karakter aan die voordracht heeft ontnomen, in welke gevallen de raad van commissarissen hetzelfde aantal commissarissen uit de kring van huurders van woongelegenheden van toegelaten instellingen of uit de kring van huurdersorganisaties als bedoeld in onderdeel a benoemt als het aantal waarop die voordracht betrekking had;
  5. die algemene vergadering slechts besluit om het bindende karakter aan een voordracht als bedoeld in onderdeel a te ontnemen, indien op die vergadering een aantal stemmen kan worden uitgebracht dat ten minste de helft bedraagt van het aantal stemmen dat door de stemgerechtigden gezamenlijk kan worden uitgebracht, en
  6. indien geen voordracht als bedoeld in onderdeel a is gedaan op grond van onderdeel a, b of c, de raad van commissarissen er zorg voor draagt dat hetzelfde aantal commissarissen uit de huurders van de woongelegenheden van de toegelaten instelling wordt benoemd als waarop een zodanige voordracht betrekking zou kunnen hebben gehad, met dien verstande dat door die benoeming niet in strijd met het bepaalde bij of krachtens dit artikel mag worden gekomen.

Lid 10. Het aantal op grond van het negende lid, onderdeel a, b of c, voorgedragen commissarissen of het aantal op grond van het negende lid, onderdeel f, benoemde commissarissen, is zodanig, dat zij tezamen ten minste een derde deel en niet de meerderheid van de raad van commissarissen kunnen uitmaken.

Lid 11. De statuten bevatten voorschriften omtrent:

  1. de wijze waarop, in geval van ontstentenis of belet van de commissarissen, voorlopig in de raad van commissarissen wordt voorzien,
  2. het, door de raad van commissarissen onder begeleiding van personen of instanties buiten de toegelaten instelling, met een frequentie van ten minste een maal per twee jaar beoordelen van het functioneren van die raad,
  3. de wijze waarop binnen de raad van commissarissen beslissingen worden genomen, met dien verstande dat het bepaalde in het vorige lid van overeenkomstige toepassing is op de onderlinge stemverhoudingen.

Aantal huuderscommissarissen

Het minimum en maximum aantal huurderscommissarissen hangt af van de omvang van de RvC:

  • RvC bestaande uit 3 commissarissen: 1 huurderscommissaris;
  • RvC bestaande uit 4 commissarissen: 2 huurderscommissarissen;
  • RvC bestaande uit 5 commissarissen: 2 huurderscommissarissen;
  • RvC bestaande uit 6 commissarissen: minimaal 2 huurderscommissarissen en maximaal 3;
  • RvC bestaande uit 7 commissarissen: 3 huurderscommissarissen;
  • RvC bestaande uit 8 commissarissen: minimaal 3 huurderscommissarissen en maximaal 4.

In hoeverre is de voordracht bindend?

Een bindende voordracht houdt niet in dat de voorgedragen kandidaat ook automatisch huurderscommissaris wordt. Het betekent in de eerste plaats dat de RvC geen personen kan benoemen die niet op de voordracht staan. In die zin wordt de RvC dus door de voordracht gebonden.

Een bindende voordracht houdt in de tweede plaats in dat de RvC de voorgedragen kandidaat in beginsel gewoon moet benoemen tenzij de voorgedragen kandidaat niet voldoet aan de wettelijke geschiktheids- en betrouwbaarheidseisen.

De RvC kan alleen kan benoemen met een positieve zienswijze van de minister. Voor het aanvragen van een zienswijze van de minister dient de RvC zich een oordeel te vormen over de geschiktheid en betrouwbaarheid van de kandidaat. Hiertoe vindt tussen de RvC en de kandidaat een gesprek plaats.

Wat gebeurt er als de RvC het niet eens is met de voordracht?

Het kan voorkomen dat de RvC het niet eens is met de door de huurdersorganisatie voorgedragen kandidaat-huurderscommissaris, omdat deze niet voldoet aan de profielschets of aan de wettelijke vereisten. Het is dan verstandig dat beide partijen hierover met elkaar het gesprek aangaan.

Als de kandidaat-huuderscommissaris niet voldoet aan de wettelijke bepalingen, zal er geen benoeming plaatsvinden en hoeft er dus geen zienswijze bij de minister te worden aangevraagd.

Als de kandidaat wél aan de wettelijke vereisten voldoet, is de voordracht van de huurdersorganisatie in principe wettelijk bindend. De RvC zet dan de aanvraag van de zienswijze in werking. Als de RvC van mening is dat de kandidaat niet (helemaal) voldoet aan de profielschets kan dat in de aanvraag benoemd en gemotiveerd worden.

Bij een negatieve zienswijze van de minister kan de kandidaat niet worden benoemd en moet de RvC afwijken van de voordracht. In dat geval dient de RvC hetzelfde aantal commissarissen te benoemen uit de kring van huurders van woongelegenheden van de corporatie of uit de kring van de huurdersorganisaties als het aantal vacante zetels waarop de voordracht betrekking had.

Bij een positieve zienswijze van de minister moet de RvC de voorgedragen kandidaat benoemen.

Integriteit is een belangrijk thema voor een toezichthouder in de corporatiesector. Integer zijn en integer handelen hoort vanzelfsprekend te zijn.

In de maatschappelijke discussie wordt er vooral gesproken over een (vermeend) gebrek aan integriteit. Zo kwam dit bij de Parlementaire Enquête nadrukkelijk aan de orde. Dit geeft 'integriteit' als begrip onterecht een negatieve bijklank.

VTW en integriteit

De VTW verwacht van haar leden dat ze integer zijn en integer handelen. Corporaties als professionele organisaties hebben de maatschappelijke plicht om daar werk van te maken en gelukkig doen velen dat ook. Voor de VTW is het thema integriteit een essentieel onderdeel van de verdere professionalisering van het interne toezicht. Indien u onderwerpen mist of vragen hierover heeft, horen wij dat graag. Stuur dan een mail naar het VTW-bureau.

De rol van de RvC

De RvC heeft meerdere taken op het gebied van integriteit: zij houdt toezicht op de integriteitsontwikkeling van de corporatie door de directeur-bestuurder, zij houdt toezicht op de integriteit van het bestuur en zij moet haar eigen integriteit in acht nemen. In de handreiking 'Tussen regels en gedrag. Een handboek integriteitsbeleid voor woningcorporaties' wordt dit uitgebreid besproken. Deze publicatie is door VTW en Aedes samen uitgebracht.


VTW - Hulplijn Commissarissen

Het kan in een RvC voorkomen dat een van de leden een afwijkende mening heeft van de anderen. Als die mening sterk en onoverkomelijk afwijkt, is er voor de betreffende commissaris vaak nog maar één mogelijkheid: uit de RvC treden. Dit kan op zich al een dilemma voor de vertrekkende commissaris opleveren, want het betekent dat de corporatie doorgaat met beleid waarvan de commissaris werkelijk meent dat het onjuist is. Er kan ook een ander integriteitsdilemma meespelen. Maar ook minder verstrekkende verschillen van inzicht kunnen blijven knagen. Soms is het dan prettig om met andere, onafhankelijke mensen van gedachten te wisselen. De VTW heeft hiervoor de Hulplijn Commissarsissen ingesteld.

Links

Opdrachtgeverschap van woningcorporaties vraagt aandacht van het interne toezicht. Woningcorporaties zijn gezamenlijk de grootste opdrachtgever in de woningbouw. Hierbij gaan grote bedragen om, worden langjarige verplichtingen aangegaan en grote risico’s gelopen.

Lees het interview met Douwe Hoogstra, commissaris bij DUWO.

‘Opdrachtgeverschap in toezicht net zo belangrijk als huurder en financiering’

Douwe Hoogstra is voorzitter van de raad van commissarissen bij studentenhuisvester DUWO. Voorheen was hij ook voorzitter van de RvC van woningcorporatie Lefier. Hoogstra pleit voor een grotere bewustwording over opdrachtgeverschap bij interne toezichthouders. ‘Dat is één van de manieren waarop de sector het opdrachtgeverschap kan verbeteren.’ Aedes en de Vereniging van Toezichthouders in Woningcorporaties (VTW) gaan gezamenlijk bijeenkomsten organiseren over het opdrachtgeverschap bij corporaties en de rol van het interne toezicht daarbij.

Wat is de rol van interne toezichthouders bij opdrachtgeverschap?

‘Corporaties zijn de grootste opdrachtgever in de Nederlandse woningbouw en vastgoed is de grootste kostenpost van woningcorporaties. In nieuwbouw, onderhoud, renovatie en het verduurzamen van bestaande woningen gaan grote bedragen om. En daar zitten dus ook grote risico’s. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt in eerste instantie natuurlijk bij de directeur-bestuurder, maar in tweede instantie bij de raad van commissarissen. En dus moet er binnen die raad vastgoedkennis aanwezig zijn. Je kunt nu eenmaal slecht toezicht houden op zaken waar je geen verstand van hebt. Iedere raad zou minstens één commissaris moeten hebben die de bestuurder kan bevragen over nieuwbouw- en grotere onderhoudsprojecten, of deze deskundigheid inhuren. We hebben het dan niet over lekkende kranen, te repareren dakgoten en andere kleinere opdrachten rond bijvoorbeeld planmatig onderhoud. Maar over vragen als: Past het project in de planning en visie? Is er een marktonderzoek? Is er een investeringsstatuut? Een aanbestedingsreglement? Hoe worden aannemers en leveranciers geselecteerd en gescreend? Hoe zit het met de integriteit van die bedrijven? Hoe zien de contracten eruit?’

Staat de opdrachtgeversrol van de corporatie hoog op de agenda van de interne toezichthouder?

‘Ik vrees dat dit bij veel corporaties nog niet het geval is. Dat merk ik in bijeenkomsten en gesprekken met commissarissen. De vastgoedkennis in de raden van commissarissen is nog niet overal op peil en in het verlengde daarvan de kennis over opdrachtgeverschap ook niet. “Waarom zou iemand uit de vastgoedwereld in een raad van commissarissen moeten zitten”, hoorde ik een corporatie-commissaris laatst zeggen. “Wij zijn geen vastgoedbedrijf, maar volkshuisvesters.” Zo’n uitspraak vind ik illustratief voor de noodzaak om het opdrachtgeverschap bij corporaties te moderniseren. Natuurlijk zijn we volkshuisvesters. Maar een corporatie is ook een vastgoedbedrijf, met een bijzondere functie en bijzondere financiering. Vastgoed en opdrachtgeverschap zijn net zulke belangrijke thema’s als huurders en financiering. Niet meer en niet minder.’

Wat kunnen we doen om de rol van interne toezichthouders te vergroten?

‘De eerste stap is zorgen voor bewustwording over de rol van de toezichthouder bij het opdrachtgeverschap. “Hebben we hierover voldoende deskundigheid in huis?”, is een van de vragen die de raad zichzelf moet stellen. Als dat niet zo is, is dat een eis voor het profiel bij de eerstkomende vacature. En dat hoeft niet per se een bouwer of een aannemer te zijn. Er zijn genoeg andere mensen te vinden met voldoende vastgoedkennis. Bijvoorbeeld uit de projectontwikkeling- of beleggerswereld. Kleine corporaties kunnen deze deskundigheid eventueel inhuren.’

Bron: www.aedes.nl

Aedes en de VTW organiseren gezamenlijk bijeenkomsten over het thema opdrachtgeverschap en de rol van het interne toezicht daarbij. De eerste bijeenkomst vond plaats op 25 februari 2016. Bekijk de presentaties.

Meer informatie:

De RvC is zelf verantwoordelijk voor zijn informatiepositie en dient zich niet volledig afhankelijk maken van de bestuurder maar ook eigenstandig informatie te vergaren. Een brede oriëntatie bij uiteenlopende stakeholders in en buiten de corporatie kan de onafhankelijke rol van de RvC versterken. Daarom is een goede relatie met ook de OR van de corporatie belangrijk. Hierbij moeten RvC, OR en bestuurder goed weten wat ieders rol en verantwoordelijkheid is en deze zowel respecteren als benutten.

Het opbouwen van een goede relatie met de OR gebeurt niet vanzelf maar begint altijd met regelmatig contact. In de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) staat beschreven op welke momenten contact met de OR aan de orde is. Dit is uitgewerkt in de verschillende modelreglementen voor de RvC.

Rol OR bij benoeming commissaris

Wanneer er een plaats vrij komt in de RvC heeft de OR een rol in het benoemen van de nieuwe commissaris. De procedure die daarbij gevolgd moet worden staat in artikel 11.4 CAO Woondiensten.

De corporatie dient de OR vooraf mee te delen wie ze voor de vrij gekomen functie op het oog heeft. Over deze persoon stelt de RvC informatie ter beschikking met betrekking tot de competenties en andere van belang zijnde gegevens die belangrijk zijn voor het vervullen van de taak van de commissaris. De OR brengt aan de hand van deze gegevens een advies uit over de geschiktheid van de voorgestelde persoon. De werkgever kan het advies volgen of naast zich neer leggen. Wanneer de corporatie het advies van de OR naast zich neerlegt, geeft zij met redenen omkleed aan waarom het advies niet wordt gevolgd.

Artikel 11.4 CAO Woondiensten is niet van toepassing op vacatures die worden vervuld op basis van artikel 30 lid 9 Woningwet 2015 op grond waarvan huurders of zodanige organisaties in de gelegenheid worden gesteld bindende voordrachten te doen.

Sommige corporaties hebben statutair of anderszins bepaald dat de OR een of meer bindende voordrachten mag doen voor leden van de RvC. Voor deze zogenoemde OR-commissarissen geldt dat hij of zij in principe geen andere rol, positie of taak vervult dan de overige leden van de RvC en handelt zonder last of ruggespraak. Elke commissaris heeft oog voor het belang van de corporatie, het maatschappelijke belang en het belang van de betrokken belanghebbenden. De RvC moet deze verschillende belangen evenwichtig tegen elkaar af wegen. Wel zal bij de OR-commissaris het accent liggen op het aandachtsveld waarvoor hij is aangezocht. 

Meer informatie

De VTW heeft een werkgroep 'Duurzaamheid' ingesteld, bestaande uit VTW leden en directeur Albert Kerssies. Doel van de werkgroep is om een aantal kaders en handvatten te bieden voor VTW leden als het gaat om toezicht op duurzaamheid. De werkgroep bouwt voort op de (verouderde) handreiking 'Toezicht op Duurzaamheid' uit 2013.

Lees hier de paper van de werkgroep duurzaamheid: 'De rol van de toezichthouder bij duurzaamheid' (pdf) 

De werkgroep heeft ook een materialiteit matrix in powerpoint gemaakt.


De leden van de werkgroep Duurzaamheid (foto's: Mark Prins fotografie)

 

Wat betekent duurzaamheid voor toezichthouders?

Duurzaamheid, of maatschappelijk verantwoord ondernemen,  is een breed begrip en heeft vele diverse aspecten, op de gebieden  ‘people, planet en profit. Elke sector en elk bedrijf zal haar eigen focus moeten bepalen in duurzaamheid. Op welke aspecten heb ik impact en wat vinden mijn stakeholders belangrijk dat ik oppak? Cruciaal bij duurzaamheid is integraal denken en handelen.  Waarbij de people, planet en profit aspecten in samenhang worden bekeken en besloten.
Voor onze sector de woningcorporaties kom je dan uit bij thema’s zoals stakeholdermanagement, tevreden huurders, beschikbaarheid, betaalbaarheid en kwaliteit van woningen in leefbare wijken aan de People kant, transparantie, beloningen en rendement aan de Profit (ook wel Prosperity genoemd) kant en tenslotte Planet, energie, CO2 uitstoot, biodiversiteit en circulaire economie.

Links

Leden werkgroep

Gerard van Bortel is assistent professor housing management aan de Technische Universiteit Delft. Daarnaast is hij toezichthouder bij woningcorporatie Parteon in Wormerveer (tot december 2017). 

 

Elfrieke van Galen is partner bij The Rock Group en toezichthouder bij woningcorporatie Ymere in Amsterdam.

 

Caro Niestijl is architecte en associate partner bij Servicewise. Ze is toezichthouder bij Rijswijk Wonen.

 

Anne-Jo Visser is programmamanager Energie bij de gemeente Utrecht. Zij was tm september 2017 toezichthouder bij studentenhuisvester SSH in Utrecht.

 

Albert Kerssies is directeur van de VTW en toezichthouder bij Habeko Wonen in Alphen a/d Rijn.

 

Overige informatie

Het afleggen van maatschappelijke verantwoording aan de belanghebben is een wezenlijk onderdeel van good governance. Het interne toezicht heeft hierbij een sleutelrol; de RvC houdt toezicht op de verantwoording die het bestuur aflegt en legt zelf verantwoording af over het gehouden toezicht.

De verantwoording van de RvC moet betrouwbaar, relevant en navolgbaar zijn. Goede verslaggeving is hierbij van groot belang en geeft politiek en samenleving bovendien vertrouwen in het interne toezicht.

Eisen Woningwet 2015

De Woningwet 2015 (en de hierop gebaseerde regelgeving) stelt eisen aan de  verslaggeving van de RvC. Artikel 36 lid 3 van de Woningwet bepaalt dat de RvC in het jaarverslag van de corporatie afzonderlijk verslag doet over de volgende onderwerpen:

  • Bestuursbesluiten die aan goedkeuring van de RvC zijn onderworpen.
  • Taak en taakvervulling van de RvC.
  • Behouden en ontwikkelen van de geschiktheid van de RvC.
  • Vaststelling van de jaarrekening van de corporatie door de RvC.
  • Omvang en samenstelling van de RvC m.b.t. onafhankelijkheid, deskundigheid en aantal huurderscommissarissen op voordracht
  • Benoeming/herbenoeming en benoemingsperiode van commissarissen.
  • Zienswijze van de minister op de geschiktheid en de betrouwbaarheid van de te (her)benoemen commissarissen.
  • Onverenigbaarheden met het RvC-lidmaatschap.
  • Statuten m.b.t. voordracht van huurderscommissarissen en ontstentenis en belet van commissarissen.

Eisen Governancecode Woningcorporaties 2015

Aanvullend op de Woningwet 2015 geeft de Governancecode Woningcorporatie 2015 richting aan de wijze waarop de RvC o.a. via verslaglegging verantwoording aflegt. De code bepaalt dat de volgende onderwerpen in het RvC-verslag aan de orde komen:

  • Verslag van de werkzaamheden van de RvC, inclusief aangeven welke bepalingen van de Governancecode Woningcorporaies wel of niet niet worden toegepast met een motivering waarom van de code is afgeweken.
  • De samenstelling, het aantal vergaderingen en de belangrijkste onderwerpen die op de agenda stonden van door de RvC ingestelde subcommissies.
  • De gevolgde procedure van werving en selectie van leden van de RvC.
  • Behaalde PE-punten van de RvC.
  • Rooster van aftreden van de RvC.
  • Honorerings RvC.
  • De gevolgde procedure van werving en selectie van leden van het bestuur.
  • Rapportage over het proces van de jaarlijkse beoordeling van het functioneren van het bestuur.
  • Beloningsbeleid bestuur inclusief de beloning.
  • Behaalde PE-punten van het bestuur.
  • Toelichting op het selectieproces van de accountant alsmede de redenen die aan de wisseling ten grondslag liggen.
  • Belangrijkste conclusies van de jaarlijkse beoordeling van het functioneren van de externe accuntant door het bestuur en de RvC.

Leidraad voor opstellen RvC-verslag

De Handreiking: Het Verslag van de RvC biedt RvC's een leidraad met bouwstenen die in het verslag kunnen worden gebruikt. Deze handreiking, in de vorm van een webpublicatie, is ook beschikbaar als PDF en bestaat uit: kernteksten, bepalingen uit de Governancecode Woningcorporaties 2015, voorbeeldteksten, achtergrondinformatie en verwijzingen naar andere relevante informatie (websites, documenten en voorbeelden). 

U kunt hier de hoofdstukindeling met de kerntekst van de handreiking downloaden in Word.

Visitatie is een belangrijk extern verantwoordingsinstrument voor corporaties. Het raakt
het hart van de governance van woningcorporaties als maatschappelijke ondernemingen.
Visitatie is, naast een extern verantwoordingsinstrument, ook een leerinstrument.

Sinds 1 januari 2007 is iedere corporatie die lid is van de VTW en/of Aedes verplicht zich
eens in de vier jaar te laten visiteren. Per 1 juli 2015 heeft het visitatiestelsel een wettelijke verankering gekregen. 

Visitatie: wettelijk verplicht voor alle corporaties

Visitatie is als verplichting voor elk corporatie opgenomen in art. 53a van de herziene Woningwet 2015. De Stichting Visitatie Woningcorporaties Nederland (SVWN) is door de minister aangewezen als ‘onafhankelijke instantie’ zoals bedoeld in het genoemde artikel. Het huidige stelsel blijft intact. In die zin gaat het om een codificatie van de praktijk, met dat verschil dat ook de niet bij Aedes en VTW aangesloten corporaties zich moeten laten visiteren. Zie ook de toelichtende brief van de minister aan de Kamer.

Rol RvT bij visitatie

De Woningwet bepaalt in artikel 53a lid 2 dat de opdracht tot visitatie wordt verleend door de toegelaten instelling. Vanuit de gezamenlijke verantwoordelijkheid die bestuur en RvT (volgens de toelichting Tweede nota van wijziging inzake Veegwet wonen) hiervoor dragen, ligt actieve betrokkenheid van de RvT in het hele visitatietraject voor de hand. In de voorbereiding, uitvoering en nazorg van de visitatie heeft de RvT een belangrijke rol. Dit geldt voor:

  • De beoordeling van de kwaliteit van het interne toezicht als onderdeel van governance:
    de RvT als object van visitatie.
  • De betrokkenheid en zorg voor een goed verloop van de visitatie, alsmede het verantwoorden over en leren van de uitkomsten van visitatie: de RvT als subject
    van visitatie.

Meer informatie over de rol van de RvT bij visitatie kunt u lezen in de publicatie 'De commissaris en visitatie'.

De SVWN schreeft voor visitatoren de Handreiking Woningwet bij visitaties die ook handig is voor corporaties die gevisiteerd worden. In deze handreiking  wordt voor de belangrijkste wijzigingen uit de herziene Woningwet en daarop gebaseerde regelgeving aangegeven welke consequenties zij hebben voor de toepassing van de visitatiemethodiek. De indeling van de handreiking volgt de indeling van de Handleiding Methodiek Maatschappelijke Visitatie 5.0.

Meer informatie over het visitatiestelsel en de methodiek vindt u op de website van de SVWN

Meer informatie over de visitatiescores van corporaties op het onderdeel Governance in 2015, 2014, 2013, 2012 en 2011.

Toezichthouders die hun rol als werkgever van het bestuur serieus nemen, gaan zorgvuldig en gedegen te werk bij de werving, selectie en benoeming van een nieuwe bestuurder (in dienstbetrekking). Het stappenplan Werving, selectie en benoeming bestuurder is bedoeld om hen daarbij te helpen.

Naar het stappenplan

Meer informatie over de werkgeversrol van de RvC

Meer informatie over de werving, selectie en benoeming van een interimbestuurder (niet in dienstbetrekking)

Overzicht van bureaus die de RvC kunnen ondersteunen bij de werving en selectie van een bestuurder

De VTW is in 2015 een traject gestart om de leden handvatten te geven om het werving- en selectieproces van commissarissen te professionaliseren. Het doel is om de kwaliteit van het toezicht verder te verbeteren en het werving en selectie proces beter aan te laten sluiten bij de eisen die de Autoriteit Woningcorporaties stelt aan benoemingen en herbenoemingen door middel van de zogeheten “fit en proper toets”.

Handreiking

Dit heeft geresulteerd in de handreiking 'Werving, selectie en (her)benoeming lid Raad van Commissarissen'. De middelen die de VTW hiertoe voor onze leden heeft ontwikkeld, dienen bij te dragen aan een gestructureerde manier van werving en selectie, met een transparante meetlat (toetsingscriteria) en een transparant proces, zodat voor de Autoriteit Woningcorporaties helder is hoe de uiteindelijke keuze voor de kandidaat tot stand is gekomen. De VTW heeft in samenwerking met Berenschot dit traject doorlopen, ondersteund door een begeleidingscommissie en een panel van VTW-leden. FLOW heeft een substantiële subsisie versterkt om dit project mogelijk te maken.

De handreiking en de bijbehorende stukken treft u hieronder aan:

- handreiking werving en selectie
- bijlagen handreiking werving en selectie
- samenvatting handreiking werving en selectie schema
- profielschets raad van commissarissen
- uitwerking competenties

Van de handreiking werving en selectie zal nog een online publicatie gemaakt worden.

Klik hier voor een overzicht van bureaus die de RvC kunnen ondersteunen bij de werving en selectie van een commissaris.

Bepaling 3,23 Governancecode woningcorporaties 2015 luidt: De RvC bespreekt ten minste één keer per jaar het eigen functioneren (in termen van effectiviteit) en dat van individuele leden van de RvC. Eens per twee jaar doet de RvC dat onder onafhankelijke, externe begeleiding. Waar nodig worden afspraken gemaakt met betrekking tot het functioneren van (leden van) de raad. Ook de onderlinge samenwerking in de RvC en relatie tot het bestuur is onderwerp van de evaluatie.

Een behoorlijk functioneren van bestuur en toezicht vereist dat het functioneren regelmatig wordt geëvalueerd. Het is belangrijk dat besturen en Raden van Commissarissen dit serieus nemen. In een jaarlijkse interne zelfevaluatie  is het maar al te eenvoudig moeilijke vragen over het onderlinge functioneren uit de weg te gaan en te constateren dat het allemaal wel zo'n beetje loopt.

Zelfevaluatie is breder dan alleen de evaluatie van het functioneren van de commissarissen onderling en individueel. Het gaat ook om de interactie met de bestuurder en de relatie met de omgeving. Bij de interactie met de bestuurder gaat het met name om de verschillende rollen die commissarissen en bestuurder ten opzichte van elkaar hebben te spelen, welk feitelijk gedrag van de bestuurder en de commissarissen daarbij wenselijk is en welk gedrag in de praktijk wordt waargenomen. Bij de relatie met de omgeving gaat het om de wijze waarop de Raad van Commissarissen en de bestuurder verantwoording afleggen jegens belanghebbenden en of de beelden en verwachtingen van belanghebbenden aansluiten bij die van bestuurder en commissarissen. 

Begeleiding door externe deskundige

Regelmatige begeleiding van de evaluatie door een externe deskundige vermindert de vrijblijvendheid van de zelfevaluatie. Begeleiding door een externe deskundige kan het ook makkelijker maken gevoelige aangelegenheden bespreekbaar te maken. Tenslotte kan begeleiding door een externe deskundige bijdragen aan een zekere objectivering van bevindingen van de zelfevaluatie. De commissie bepleit daarom dat tenminste om het jaar een evaluatie wordt begeleid door een externe deskundige.

Klik hier voor een overzicht van mogelijke externe begeleiders.

Ledencommissie Zelfevaluatie

De ledencommissie Zelfevaluatie heeft zich gebogen over het vraagstuk van de zelfevaluatie en hoe deze in de praktijk werkt. De zelfevaluatie van de RvC is steeds belangrijker geworden voor de verdere professionalisering van het intern toezicht. Zelfevaluatie is ook steeds meer zelfreflectie, zowel individueel als voor de hele raad.

Eén van de aanbevelingen van de commissie was de publicatie over zelfevaluatie uit 2011 geheel te herzien. Dit is in 2017 gebeurd. De nieuwe handreiking ‘Professionaliseren door zelfreflectie‘ - geschreven door Hildegard Pelzer (Governance Support) - biedt u handvatten voor de RvC-zelfevaluatie. In de handreiking is ook is een link gelegd met de verplichting tot permanente educatie en hoe deze in het kader van de zelfevaluatie ingezet kan worden.

Woningwet

In de nieuwe Woningwet die geldt vanaf 1 juli 2015 is een bepaling over de evaluatie van het functioneren van de RvC opgenomen. Artikel 30 lid 11 Woningwet bepaalt dat de statuten voorschriften bevatten over jaarlijkse zelfevaluatie; deze moet eens per twee jaar onder externe begeleiding. De statuten moeten uiterlijk 1 januari 2017 hierop zijn aangepast.

De VTW besteedt vanaf 2016 in ledenbijeenkomsten en sessies aandacht aan het brede thema 'Wonen, zorg & welzijn'. Hiermee willen we het intern toezicht dichterbij het dagelijkse werk van de corporatie in de wijken brengen. Vanuit de bedoeling van de corporatie meekijken met kwetsbare doelgroepen in het kader van aanspreekbaarheid. 

Wonen en zorg
De VTW heeft in 2016 vijf regionale bijeenkomsten georganiseerd rond 'Wonen en zorg'. Erik Dannenberg, voorzitter van zustervereniging NVTZ (toezichthouders zorg) heeft presentaties gegeven met als titel: 'Zijn woningcorporaties de opvangtehuizen / bejaardenhuizen van de toekomst?'

Lees hier het interview met Erik Dannenberg
De presentatie van Erik Dannenberg bij de regionale bijeenkomsten

Andere initiatieven rond Wonen en zorg
In Amsterdam werken de gemeente, zorgaanbieders en woningcorporaties samen om kwetsbare burgers zelfstandig te laten wonen in de wijk. Een eigen woonplek met begeleiding op maat zijn belangrijke voorwaarden voor herstel en om mee te kunnen doen in de samenleving. Om hier samen invulling aan te geven zijn praktische werkafspraken ontwikkeld. Ook vergelijkbare samenwerkingsverbanden elders in het land kunnen hier hun voordeel mee doen. Lees verder op de website van Actiz of download direct de brochure 'Tien werkafspraken Thuis in de wijk; passend wonen met zorg op maat'.
---
Samen heeft de toekomst in wonen en zorg: dat leert een rondje langs de winnaar en genomineerden voor de innovatieprijs i-Opener van KWH en Aedes. Majella Wonen in Utrecht is de winnaar. Woningcorporatie Portaal, een van de initiatiefnemers, kreeg de prijs uitgereikt tijdens de drukbezochte Aedes-Corporatiedag in Harderwijk op 23 november 2017. Ook Samen & Anders in Rotterdam van Laurens Wonen en De empathische woning in Roermond van Woningstichting Domus waren genomineerd. Lees het artikel in Aedes Magazine december 2017.
---
De publicatie Goed gezien! Wonen Met Zorg 13 voorbeelden uit de praktijk van Aedes en Actiz Kenniscentrum Wonen-Zorg bevat mooie verhalen over wonen en zorg. Laat deze praktijkvoorbeelden u inspireren bij het voeren van het (continue) gesprek over de toegevoegde waarde van de corporatie in de maatschappelijke regionale context.

Wet- en regelgeving

De Governancecode woningcorporaties 2015 geldt vanaf 1 mei 2015 voor leden van Aedes en de VTW. In november 2016 is de governancecode tekstueel op enkele punten aangepast door het optuigen van een Commissie Governancecode Woningcorporaties van Aedes en VTW samen. Ook is bepaling 5 lid 8 gewijzigd zodat deze aansluit bij de wettelijke roulatietermijnen voor een OOB. Inhoudelijk zijn de principes en bepalingen exact hetzelfde gebleven. Deze aangepaste Governancecode geldt vanaf 1 januari 2017 en vervangt de code uit 2015 in zijn geheel.
In de laatste druk van 1 juli 2017 is de omnummering van de Woningwet als gevolg van de Veegwet Wonen verwerkt.

De Governancecode woningcorporaties 2015 weerspiegelt hoe woningcorporaties in 2015 denken over goed bestuur en toezicht. Voorbeeldgedrag, transparantie, maatschappelijke verbondenheid en goede risicobeheersing zijn van groot belang voor hoe woningcorporaties zo goed mogelijk hun werk doen. De governancecode gaat ook expliciet in op deze onderwerpen.

Woningcorporaties doen hun werk altijd in het belang van onze maatschappij. Ze zorgen immers voor een goed huis in een leefbare buurt: één van de basisvoorwaarden voor mensen om een volwaardig bestaan te kunnen opbouwen en mee te kunnen draaien in onze samenleving. Corporaties werken daar elke dag aan met veel inzet. Hoe doen ze dat? Waar zijn ze op aan te spreken? Daar gaat de governancecode op in.

Principes governancecode

De Governancecode woningcorporaties 2015 kent vijf principes die leidend zijn voor iedereen die betrokken is bij het bestuur van en toezicht op een woningcorporatie. De principes vullen elkaar aan en moeten in samenhang worden bezien.

Het belang van (toekomstige) huurders of bewoners staat voorop in principe 1, waar het gaat over waarden en normen die passen bij de maatschappelijke opdracht. Vervolgens behandelt principe 2 de manier waarop bestuur en RvC aanspreekbaar zijn op resultaten. Principe 3 beschrijft de toetsstenen van geschiktheid voor bestuur en RvC en principe 4 behandelt de dialoog met (toekomstige) bewoners, gemeente en andere belanghebbende partijen. Principe 5 ten slotte besteedt aandacht aan het beheersen van de risico’s verbonden aan de activiteiten.

Niet afwijken van 'pas toe' bepaling

De principes zijn concreet uitgewerkt in bepalingen. Hieraan dienen corporaties zich te houden. In lijn met nieuwe wetgeving en om de kwaliteit en transparantie van handelen van bestuur en RvC te bevorderen is afwijking met ‘leg uit’ op een aantal bepalingen niet mogelijk, hiervoor geldt 'pas toe'. Dit staat in de governancecode bij de bepalingen aangegeven.

Afwijken van 'leg uit' bepaling alleen bij beter resultaat

Voor de overige bepalingen geldt dat corporaties daarvan af kunnen wijken als dit volgens de betreffende corporatie tot een beter resultaat leidt. Hierbij dient echter nog steeds in de geest van het principe gehandeld te worden en moet de corporatie op inzichtelijke wijze onderbouwen en actief verantwoorden (‘leg uit’) waarom zij hiervan afwijkt. Over deze uitleg kan de corporatie door zowel collega’s als andere belanghebbenden worden bevraagd en eventueel aangesproken.  

Commissie Governancecode

Indien een corporatie in een specifieke situatie twijfelt over de toepasbaarheid van ‘leg uit’ dan kunnen zij zich wenden tot de Commissie Governancecode Woningcorporaties, om zo de gezamenlijkheid op dit onderwerp te borgen. 

Indien een woningcorporatie niet voldoet aan de Governancecode Woningcorporaties kan iedereen die hierbij een redelijk en direct belang heeft hierover een klacht indienen bij de Commissie Governancecode Woningcorporaties. 

Meer informatie over de Commissie Governancecode Woningcorporaties kunt u lezen op de website van Aedes.

Governancecode richt zich op alle medewerkers

De governancecode richt zich niet alleen op bestuurders en commissarissen, maar eveneens op medewerkers van corporaties. Goed bestuur is immers ook een kwestie van gedrag en cultuur binnen de organisatie. Medewerkers op alle niveaus van de organisatie worden geacht een bijdrage te leveren aan het gewenste gedrag en daarmee aan de gewenste organisatiecultuur.

Transparantie

Ten slotte heeft de governancecode als doel bij te dragen aan transparantie van de corporatiesector waardoor het voor belanghebbenden en de samenleving beter inzichtelijk wordt hoe woningcorporaties met het maatschappelijk bestemd vermogen omgaan. Dit verstevigt de legitimatie van corporaties.

NB Bij de governancecode is uitgegaan van de rechtsvorm stichting. Een beperkt aantal corporaties heeft de rechtsvorm van een vereniging. Voor die corporaties geldt een aantal aanpassingen. Daarop wordt in bijlage 3 van de governancecode nader ingegaan.

Niet vrijblijvend

De Governancecode woningcorporaties 2015 is niet vrijblijvend. Het is verplicht de governancecode te volgen voor leden van Aedes en de VTW. Om leden bij het implementeren te helpen zijn goede voorbeelden, modellen en handreikingen op de website van Aedes en de VTW te vinden.

Bestuur en RvC verantwoorden zich in het jaarverslag over de wijze waarop de principes van de governancecode in het afgelopen boekjaar zijn toegepast. Iedere belanghebbende kan de corporatie daarop aanspreken en bij niet of onjuist toepassen van de code een klacht indienen bij de Commissie AedesCode. De Commissie AedesCode brengt verslag uit van haar bevindingen aan het bestuur van Aedes. Als de commissie van oordeel is dat de governancecode wordt overtreden dan neemt het bestuur van Aedes een besluit over mogelijke sancties die variëren van publicatie (´naming and shaming´) tot het ontnemen van het lidmaatschap. In haar besluit over de betreffende corporaties informeert Aedes tevens het bestuur van de VTW. Het bestuur van de VTW kan tevens besluiten om sancties op te leggen.

Corporaties laten daarnaast hun maatschappelijke prestaties minimaal eens per vier jaar onderzoeken door een onafhankelijk bureau. Onderdeel van deze visitatie is de naleving van de governancecode. Het visitatierapport is openbaar.

Aedes en de VTW monitoren de naleving van vier specifieke bepalingen van de governancecode, te weten: de verplichting tot visitatie, de verplichting tot publicatie van de honorering van bestuurders en toezichthouders, de zittingstermijn van commissarissen en het voldoen aan de eisen (behaalde punten) van de permanente educatie.
Als corporaties, na te zijn aangesproken op overtreding van deze bepalingen, geen verbetering laten zien, kunnen sancties volgen zoals hierboven genoemd.

Het VTW-bureau ontvangt regelmatig vragen van leden over de uitleg en toepassing van de Governancecode Woningcorporaties 2015 die vanaf 1 mei 2015 geldt en in november 2016 tekstueel op enkele punten is aangepast. 

Op welke punten is de Governancecode in november 2016 gewijzigd?

De Governancecode Woningcorporaties is in 2016 tekstueel op enkele punten aangepast in verband met de Commissie Governancecode Woningcorporatiesdoor die Aedes en VTW gezamenlijk hebben ingesteld. Ook is bepaling 5.8 over de maximale benoemingstermijn van de accountant (kantoor) gewijzigd zodat deze aansluit bij de wettelijke roulatietermijnen voor een OOB. Zie ook het antwoord op de vraag 'Wat bepaalt 5.8 over de benoemingstermijn accountant?'

Inhoudelijk zijn de principes en bepalingen exact hetzelfde gebleven. Deze aangepaste Governancecode geldt vanaf 1 januari 2017 en vervangt de code uit 2015 in zijn geheel.

Mag ik van de Governancecode afwijken met 'leg uit'?

Afwijking met ‘leg uit’ is in de nieuwe Governancecode Woningcorporaties op een aantal bepalingen niet mogelijk, hiervoor geldt 'pas toe'. Dit staat in de governancecode bij de bepalingen aangegeven. Het aantal bepalingen waarvoor dit geldt is ten opzichte van de vorige governancecode uitgebreid.

Voor de overige bepalingen geldt dat corporaties daarvan af kunnen wijken als dit volgens de betreffende corporatie tot een beter resultaat leidt. Hierbij dient echter nog steeds in de geest van het principe gehandeld te worden en moet de corporatie op inzichtelijke wijze onderbouwen en actief verantwoorden (‘leg uit’) waarom zij hiervan afwijkt. Over deze uitleg kan de corporatie door zowel collega’s als andere belanghebbenden worden bevraagd en eventueel aangesproken. Indien een corporatie in een specifieke situatie twijfelt over de toepasbaarheid van ‘leg uit’ dan kunnen zij zich wenden tot de Commissie Governancecode Woningcorporaties van Aedes en VTW. Deze commissie doet dan een uitspraak over de kwestie.

Iedere belanghebbende kan de corporatie aanspreken over het toepassen van de Governancecode en bij (vermeend) niet of onjuist toepassen ervan een klacht indienen bij de Commissie Governancecode Woningcorporaties. De commissie brengt verslag uit van haar bevindingen aan de besturen van Aedes en VTW. Als de commissie van oordeel is dat de Governancecode wordt overtreden dan nemen de besturen van Aedes en VTW een besluit over mogelijke sancties. 

Wat wordt met bepaling 3.10 bedoeld? Wordt dit gesprek gevoerd met de RvC-leden?

Bepaling 3.10 luidt als volgt: Een meerhoofdig bestuur bespreekt ten minste één keer per jaar het gezamenlijk functioneren en dat van individuele leden.

Dit betekent dat, indien sprake is van een meerhoofdig bestuur, het bestuur ten minste één keer per jaar ook zelf het gezamenlijk functioneren bespreekt en dat van individuele leden. Dit gesprek staat los van de jaarlijkste beoordeling door de RvC van het functioneren van de bestuurder (of in geval van een meerhoofdig bestuur: de bestuurders) en de rapportage over het proces in het jaarverslag, zoals bepaalt in bepaling 3.9.

Mag ik bestuurder worden van de corporatie waar ik RvC-lid ben geweest?

Nee, dat is in strijd met de Governancecode Woningcorporaties. Deze bepaalt in 3.4 het volgende: Bestuursleden mogen in de drie jaar voorafgaand aan de benoeming tot bestuurder geen lid zijn geweest van de RvC van de woningcorporatie. Uitzondering hierop vormt het tijdelijk voorzien in het bestuur door een lid van de RvC bij belet en ontstentenis van bestuurders als bedoeld in 3.28.

Bepaling 3.28 luidt als volgt: In geval van ontstentenis of belet van het bestuur (voetnoot 34) kan een lid van de RvC bij hoge uitzondering voor maximaal drie maanden de rol van bestuurder op zich nemen. In dat geval treedt het lid tijdelijk terug uit de RvC en neemt dus niet deel aan de besluitvorming van de RvC. Na deze periode van maximaal drie maanden kan deze persoon weer toetreden tot de RvC (voetnoot 35). Hierbij wordt dit lid niet betrokken bij de besluitvorming over zaken die zich in die betreffende drie maanden hebben voorgedaan.

Voetnoot 34: Hieronder is te verstaan de situatie dat vanuit de werkorganisatie of door inzet van een externe geen adequate oplossing voorhanden is. Dat sluit aan bij artikel 25.7 van de Woningwet, waarin staat dat de statuten voorschriften moeten bevatten omtrent de wijze waarop, in geval van ontstentenis of belet van de bestuurders, voorlopig in het bestuur wordt voorzien.

Voetnoot 35: Artikel 30 lid 11 a van de Woningwet bepaalt dat de corporatie de wijze waarop daarin wordt voorzien in de statuten moet vastleggen.

Wat bepaalt 5.8 over de benoemingstermijn accountant?

Op grond van bepaling 5.8 van de Governancecode 2015 geldt vanaf boekjaar 2018 voor een corporatie die niet kwalificeert als een Organisatie van Openbaar Belang (OOB) een maximale benoemingstermijn van de externe accountant (kantoor) van 10 jaar. In geval van fusie gaat de termijn niet opnieuw in.
Voor een OOB gelden de vigerende bepalingen uit de wet- en regelgeving van toepassing op kantoorroulatie voor accountantsorganisaties.

De maximale aaneengesloten periode voor een tekenend accountant om te controleren bij een niet-OOB bedraagt 7 jaar. Voor een OOB is dat 5 jaar.

Is de verantwoording in het Jaarverslag 2015 op basis van de nieuwe of de oude code?

Verantwoording in het Jaarverslag 2015 gebeurt op basis van de Governancecode Woningcorporaties 2015. Bij afwijking hiervan (en bij naleving van de oude code) kan natuurlijk verwezen worden naar de oude code en worden aangegeven dat de Governancecode Woningcorporaties 2015 per 1 juli 2015 geldt. Uit het jaarverslag moet helder zijn waar de corporatie staat qua implementatie/naleving van de Governancecode Woningcorporaties 2015.

Op 1 januari 2013 is de Wet Normering bezoldiging Topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) in werking getreden. De WNT stelt een wettelijk maximum aan de bezoldiging van bestuurders en hoogst leidinggevenden (i.e. iedereen die leiding geeft aan een gehele (semi-)publieke organisatie) in de publieke en semipublieke sector en bevat regels over het openbaar maken van de bezoldiging. Woningcorporaties vallen in het strengste regime. Daarbij mag de bezoldiging niet uitstijgen boven een maximumnorm van 130 procent van een ministersalaris. Dit maximum is per 1 januari 2015 verlaagd naar 100 procent, via de Wet Verlaging bezoldigingsmaximum WNT (WNT2). Dit verlaagde maximum geldt voor de corporatiesector eerst per 1 januari 2016.

U kunt de WNT hier bekijken.

Met ingang van 1 januari 2014 is de bezoldiging van topfunctionarissen bij woningcorporaties verder gemaximeerd door de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen toegelaten instellingen volkshuisvesting 2014.

Conform het overgangsrecht van de WNT2 is ook voor 2015 de Regeling voor het kalenderjaar 2014 van toepassing. Dit geldt ook voor de bovenkant van de schaalindeling. Voor bezoldigingsklasse J zal de norm van € 230.434 blijven gelden. Lees de brief hierover van minister Blok aan de Tweede Kamer.

In de Regeling voor het kalenderjaar 2016 zijn de bovenste drie klassen H, I en J samengevoegd tot één klasse waarvoor het verlaagde bezoldigingsmaximum van de WNT2 geldt, zijnde € 179.000. De bezoldigingsklassen A t/m G zijn ongewijzigd, wel zijn de maximumbedragen per bezoldigingsklasse geïndexeerd.

De Regeling voor het kalenderjaar 2017 is aangepast op basis van de loonontwikkeling bij ambtenaren. De bezoldigingsmaximum voor de WNT en de hoogste bezoldigingsklasse H van de Regeling, bedraagt per 1 januari 2017 € 181.000.

NB De jaarsalarissen in de Tabel met indicatieve bedragen bruto beloningen behorend bij bezoldigingsmaximum per klasse voor het jaar 2017 zoals opgenomen in de Regeling van 23 november 2016, zijn vanaf C te hoog a.g.v. rekenfouten. Bekijk hier de door Axyos berekende indicatieve bedragen bruto beloningen.

De Regeling voor het kalenderjaar 2018 is aangepast op basis van de loonontwikkeling bij ambtenaren. De bezoldigingsmaximum voor de WNT en de hoogste bezoldigingsklasse H van de Regeling, bedraagt per 1 januari 2018 € 187.000.

WNT voor alle medewerkers

Het kabinet Rutte 3 heeft het 'Wetsontwerp uitbreiding van de reikwijdte van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector naar andere werknemers dan topfunctionarissen' ingetrokken. Hiermee is het plan om de WNT ook voor niet-topfunctionarissen te laten gelden van de baan. 

Overgangsrecht WNT

Voor corporatiebestuurders op wie het overgangsrecht van toepassing is, start de afbouw van de bezoldiging als de eerste vier jaar van het overgangsrecht zijn verstreken. In de praktijk is dit meestal in 2018 en soms, bij de bestuurders van grotere corporaties, in 2017 of 2020.
Voor RvC's die te maken hebben met de afbouw van de bezoldiging van de bestuurder, heeft de VTW de 'Handreiking afbouw bezoldiging bestuurder' beschikbaar. De handreiking is op verzoek van de VTW opgesteld door Axyos WNT Advies en geeft toelichtingen, praktische tips en oplossingen voor situaties waarin de bezoldiging van de bestuurder moet worden afgebouwd. Hierbij wordt uitgegaan van de veranderde regelgeving voor de afbouw waarbij rekening mag worden gehouden met eerdere vrijwillige verlagingen van de bezoldiging. De nieuwe regels mogen ook nog bij de afbouw van de bezoldiging in 2017 worden toegepast.  
NB De Rekentool van www.topinkomens.nl houdt geen rekening met de nieuwe regels voor eerdere vrijwillige verlagingen (beleidsregels WNT 2018, artikel 11a) die ook nog bij afbouw in 2017 mogen worden toegepast. Als de Rekentool hierdoor niet de juiste uitkomst oplevert, kan de toegestane bezoldiging in 2018 (en 2017) worden berekend via www.wntgids.nl/problemen-met-rekentool.

Vragen over de WNT

Meer informatie over de WNT vindt u op http://www.topinkomens.nl/ van de Rijksoverheid. Hier kunt u ook terecht met vragen. Deze kunt u natuurlijk ook aan het VTW-bureau stellen (T 030 25 25 784).

Graag wijzen wij u ook op de website http://www.wntgids.nl/ van Axyos WNT Advies met antwoorden op vaak voorkomende vragen en tips voor WNT-vraagstukken en het beheersen van de administratieve WNT-lasten.

Met ingang van 1 juli 2015 hebben partijen in de sociale huursector te maken met de Woningwet 2015, het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting (BTIV) 2015 en bijbehorende ministeriële regeling. Daarmee treden er in het stelsel van sociale huurwoningen belangrijke veranderingen op. Woningcorporaties richten zich op hun kerntaak: een kwalitatief en betaalbaar aanbod van sociale huurwoningen voor mensen met een kleine portemonnee. Welke gevolgen heeft de Woningwet 2015 voor het interne toezicht op de corporaties?

Nieuwe eisen aan het interne toezicht

De nieuwe Woningwet stelt in de artikelen 26 en 30 t/m 33 nieuwe eisen aan het interne toezicht. Dit is verder uitgewerkt in de artikelen 18, 19, 27 en bijlagen 1 en 2 van het Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting (BTIV). Hieronder zijn de belangrijkste eisen op een rij gezet.

Goedkeuring RvT

In de Woningwet is een grotere rol weggelegd voor het interne toezicht in die zin dat bepaalde bestuursbesluiten onderworpen zijn aan voorafgaande goedkeuring van de RvT. Artikel 26 Woningwet bepaalt welke besluiten, bijvoorbeeld een besluit tot het doen van een investering van minimaal 3 miljoen euro of een besluit tot wijziging van de statuten.

Artikel 19 BTIV bepaalt in welke gevallen de voorafgaande goedkeuring van de RvT niet is vereist. Het gaat daarbij om besluiten tot instandhouding van woningen, bijvoorbeeld het regulier onderhoud en besluiten tot verkoop aan natuurlijke personen.

Daar waar in de Woningwet is voorzien in voorafgaande goedkeuring van de minister is altijd een voorafgaand besluit van de RvT nodig. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het aangaan van een fusie of splitsing, verkoop van onroerend goed, investeringen in niet-Daeb vastgoed en het aangaan van verbindingen.

Geschiktheid en betrouwbaarheid commissarissen

Artikel 30 lid 3 Woningwet en artikel 18 BTIV plus bijlage 1 (competenties) en 2 (betrouwbaarheid) bepalen dat voor (her)benoeming van een commissaris een positieve zienswijze van de minister nodig is op de geschiktheid en de betrouwbaarheid van de betrokken personen. Deze zgn. 'fit and proper' test geldt per 1 juli 2015 voor nieuwe benoemingen/aanwijzingen.

Benoemingstermijn

Artikel 30 lid 4 Woningwet bepaalt dat een commissaris wordt benoemd voor een periode van ten hoogste vier jaar, en een maal voor een periode van ten hoogste vier jaar kan worden herbenoemd.

Onverenigbaarheden

Artikel 30 lid 6 bepaalt in welke gevallen sprake is van onverenigbaarheid met het lidmaatschap van de RvT. Zo mag een RvT-lid bij een woningcorporatie niet samen met een collega-commissaris uit die desbetreffende RvT van die corporatie, in een andere RvT zitting hebben, ongeacht de branche. De onverenigbaarheden gelden vanaf 1 juli 2015 voor nieuwe benoemingen/aanwijzingen.

Een derde RvT is huurdercommissaris op bindende voordracht

Artikel 30 lid 9 en lid 10 Woningwet bepalen dat ten minste een derde van de RvT bestaat uit huurdercommissarissen die op bindende voordracht worden voorgedragen door de huurders(organisaties). In de statuten moeten hierover voorschriften worden opgenomen. Indien deze niet tot een voordracht komen, moet de RvT er zorg voor dragen dat hetzelfde aantal commissarissen uit de huurders van de woongelegenheden van de corporatie wordt benoemd. De statuten moeten uiterlijk 1 januari 2017 hierop zijn aangepast.

Zelfevaluatie RvT onder externe begeleiding

Artikel 30 lid 11 Woningwet bepaalt dat de statuten voorschriften bevatten over jaarlijkse zelfevaluatie van de RvC; deze moet eens per twee jaar onder externe begeleiding. Ook moet in de statuten worden opgenomen op welke wijze, in geval van ontstentenis of belet van de commissarissen, voorlopig in de RvT wordt voorzien. De statuten moeten uiterlijk 1 januari 2017 hierop zijn aangepast.

Permanente educatie RvT

Artikel 31 lid 2 Woningwet bepaalt dat de RvT zich blijvend dient te voorzien van de benodigde kennis en vaardigheden voor uitoefening van het toezicht.

Informatie-uitwisseling RvT – minister

Artikel 31 lid 4 Woningwet en artikel 27 BTIV bepalen dat in bepaalde gevallen de RvT de minister op de hoogte dient te stellen van zijn werkzaamheden. Het gaat daarbij om gevallen waarbij het voor de minister in het kader van het toezicht wenselijk is vroegtijdig op de hoogte te zijn van ontwikkelingen die bij de toegelaten instelling spelen. Te denken is aan schade of mogelijke schade aan het belang van de volkshuisvesting door handelen van de toegelaten instelling, situaties waarbij de toegelaten instelling financieel kwetsbaar is of dat op korte termijn zou kunnen worden of liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen bij verbindingen van de toegelaten instelling.

Ontslag door ondernemerskamer

Artikel 33 Woningwet bepaalt dat de minister en de RvT leden van de RvT op in de wet vermelde gronden kunnen schorsen bij wanprestatie en bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam kunnen voordragen voor ontslag.

Meer informatie over de nieuwe Woningwet

De beantwoording van onderstaande vragen is gebaseerd op basis van de Woningwet zoals deze door de Tweede en Eerste Kamer is aanvaard, de Algemene Maatregel van Bestuur/Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting 2015 (BTIV) en de Ministeriële Regeling/Regeling Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting 2015 (RITV) waarin nadere regels worden gesteld.

De nieuwe externe toezichthouder, de Autoriteit Woningcorporaties (Aw), gaat op 1 juli van start. Het nieuwe toezichtkader wordt pas bekend nadat de wet al van kracht is. Wel is de Aw vanaf 1 juli bereikbaar voor vragen van woningcorporaties die aan de hand van concrete casuïstiek zeker willen weten of zij voldoen aan de wet. Dat kan via dit vragenformulier van het Meld- en Informatiecentrum (MIC) van de Inspectie Leefomgeving en Transport (T 088 489 00 00).

Zie ook de website Woningwet2015.nl.

Moeten de statuten van de corporatie per 1 juli 2015 zijn aangepast?

De Woningwet is per 1 juli 2015 in werking getreden. Corporaties hebben tot 1 januari 2017 de tijd om statuten, reglementen, organisatie en werkzaamheden in overeenstemming te brengen met de wet.
Bron: Woningwet, artikel 25 lid 1.

Moeten benoemingen vanaf 1 juli 2015 al voldoen aan de Woningwet, ook als de statuten nog niet zijn aangepast?

De wettelijke regeling voor de benoeming van het bestuur geldt per 1 juli 2015. Dit betreft zowel de procedurele als de inhoudelijke vereisten. Ook als de statuten nog niet zouden zijn aangepast.
Bron: Woningwet, artikel 25 lid 1.

Wanneer gaat de fit- en propertoets in?

Artikel 30, derde lid van de Woningwet bepaalt dat voor (her)benoeming van een commissaris een positieve zienswijze van de minister nodig is op de geschiktheid en de betrouwbaarheid van de betrokken personen. Deze zgn. 'fit and proper' toets geldt per 1 juli 2015 voor nieuwe (her)benoemingen/aanwijzingen.

De "benoeming" als bedoeld in de wet, waaraan een zienswijze over de geschiktheid en betrouwbaarheid vooraf moet zijn gegaan, is de datum van het BESLUIT TOT (HER)BENOEMING. Ligt deze datum vóór 1 juli a.s. dan heeft de Woningwet op deze benoeming geen invloed en geldt dus ook niet de verplichting tot het doorlopen van de fit en proper toets door de Autoriteit Woningcorporaties/ILT. Ook niet indien de datum van aanvang van de werkzaamheden (feitelijke ingang her-/benoeming) ná 1 juli is gelegen.
Bron: BZK

NB BZK heeft een eerder gegeven antwoord (zie onder) vervangen door bovenstaand antwoord. Eerder gegeven en vervangen antwoord:
Uitgangspunt van de wet is dat alle wervingsactiviteiten en benoemingen van bestuurders en commissarissen in overeenstemming zijn met de wet. Omdat het tot kort voor invoering van de wet niet mogelijk is om een verzoek tot beoordeling van geschiktheid en betrouwvbaarheid te doen, is het niet mogelijk dat vanaf 1 juli alle nieuwe benoemingen voorafgegaan zijn door een fit en proper toets. Wervingsactiviteiten die zijn ingezet onder de oude wet die geldt tot 30 juni 2015, zullen derhalve resulteren in benoemingen die nog niet op geschiktheid en betrouwbaarheid zijn getoetst. Alle wervingsactiviteiten voor kandidaat bestuurders of commissarissen en procedures bij herbenoeming van deze functionarissen die plaatsvinden vanaf 1 juli 2015 dienen te voldoen aan de eisen zoals gesteld aan een fit en propertoets.

Vergen (her)benoemingen van bestuurders en commissarissen na 1 juli 2015 goedkeuring van de minister?

Ja. Besluiten tot (her)benoeming vanaf 1 juli 2015 vergen een (positieve) zienswijze van de minister, opgesteld door de Autoriteit woningcorporaties. Zij dienen dus te voldoen aan de eisen zoals gesteld aan een fit en proper test. Een (her)benoeming zonder zienswijze of bij een negatieve zienswijze is in strijd met de volkshuisvesting, waarop sancties kunnen volgen.
Bron: BZK.

Hoe gaat de Autoriteit woningcorporaties (Aw) de toetsing van voorgenomen nieuwe bestuurders en commissarissen opzetten?

De Aw heeft op 1 juli 2015 een aanvang gemaakt met de geschiktheid- en betrouwbaarheidtoetsing. Vanaf dat tijdstip moet elke voorgenomen (her)benoeming aan de toezichthouder worden gemeld. De melding moet zijn onderbouwd en gemotiveerd conform de eisen uit de Ministeriële Regeling (RTIV 2015, Bijlagen 1 en 2, redactie). De regering heeft er vertrouwen in dat de geschiktheid- en betrouwbaarheidtoets per 1 juli 2015 toegepast kan worden. Vanwege het belang dat de regering hecht aan het toetreden en (alleen) behouden van ‘fit and proper’ geachte bestuurders en RvT-leden, lag uitstel van de van de beoogde invoeringsdatum niet in de rede.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, p. 13, bewerkt.

Welke nadere voorschriften worden per Ministeriële Regeling gesteld aan het bestuur en commissarissen, naast de geschiktheidtoets?

Wat betreft de geschiktheid- en betrouwbaarheidtoets zal de Ministeriële Regeling nadere regels bevatten rond het verstrekken van de ministeriële zienswijze over de geschiktheid en de betrouwbaarheid van bestuurders (en commissarissen). Aangezien de inhoudelijke eisen en antecedenten die bij de toetsing worden gehanteerd al zijn opgenomen in de wet en het BTIV, betreft het vooral procedurele eisen. Bijvoorbeeld die met betrekking tot de onderbouwing van de voorgenomen (her)benoeming en het proces dat bij de toetsing wordt gevolgd. Bij een meerhoofdig bestuur zal bij de toetsing van een beoogde kandidaat, net als bij de RvT, ook worden gekeken naar de samenstelling en competenties van het bestuur als geheel.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, p. 14

Kan er bij gerede twijfel aan een zittende commissaris ook tussentijds getoetst worden?

De wet bepaalt dat (alleen) bij benoeming en herbenoeming van bestuurders en commissarissen een zienswijze is vereist waartoe betrokkenen op geschiktheid en betrouwbaarheid worden getoetst. Kandidaten dienen echter ook in de tussenliggende periode te blijven voldoen aan de eisen. In het kader van het (reguliere) toezicht op de governance bij corporaties kan de Autoriteit Woningcorporaties bij twijfel daaromtrent de woningcorporatie daarop aanspreken en zo nodig via een aanwijzing (en sancties) aandringen op maatregelen.
Bron: BZK

Dient de directeur-bestuurder die een aanstelling en benoeming voor onbepaalde tijd heeft, herbenoemd te worden conform de nieuwe Woningwet?

Nee. Het overgangsrecht (Woningwet, artikel II lid 9) geeft aan dat het bepaalde bij en krachtens de artikelen 25 (eisen aan bestuurders) respectievelijk 30 (eisen aan de RvT-leden) van de Woningwet geen gevolgen heeft voor de benoeming of aanwijzing tot bestuurder respectievelijk commissaris van een corporatie die voor 1 juli 2015 heeft plaatsgevonden. Ofwel, in het geval van een directeurbestuurder die vóór 1 juli 2015 is benoemd voor onbepaalde tijd geldt artikel 25 lid 4 niet.
Bron: BZK.

Voor bestuursbesluiten tot het vervreemden van onroerende zaken van meer dan 10 miljoen euro is goedkeuring door de RvT nodig. Is het bedrag van 10 miljoen euro inclusief of exclusief btw?

Exclusief btw.
Bron: BZK.

Voor het doen van een investering ten behoeve van de volkshuisvesting van meer dan 3 miljoen euro is goedkeuring door de RvT nodig. Is het bedrag van 3 miljoen euro inclusief of exclusief btw?

Exclusief btw.
Bron: BZK

Als een commissaris intreedt in het bestaande rooster van aftreden van de RvT en na bijvoorbeeld 2 jaar aftreedt, kan de commissaris dan worden herbenoemd voor 2 jaar en vervolgens voor 4 jaar?

De wet schrijft voor dat leden van de RvT na benoeming maximaal één keer herbenoemd mogen worden. Met een maximale benoemingstermijn van 2 keer 4 jaar. De benoemingstermijn mag korter zijn dan 4 jaar, maar het aantal keren dat je achtereenvolgens wordt benoemd is niet meer dan twee termijnen.

Op 15 juni heeft BZK op bovenstaand antwoord onderstaande toelichting gegeven:

Het overgangsrecht heeft alleen betrekking op de (her)benoemingen die zijn gedaan voor 1 juli; indien deze zouden leiden tot strijdigheid met de nieuwe wetgeving, is dat toegestaan tot het moment dat er zich een gelegenheid voordoet om deze strijdigheid te beëindigen (bijv. een herbenoeming).
Vanaf 1 juli geldt onverkort de wet, en mag iemand die al een keer is herbenoemd (d.w.z. er al twee benoemingstermijnen erop heeft zitten) niet nog een keer worden herbenoemd. Dat zou immers een ‘nieuwe’ herbenoeming betreffen van na de datum van inwerkingtreding en de wet bepaalt dat iemand slechts één keer mag worden herbenoemd (ook al is het korter (geweest) dan acht jaar).
Bron: BZK

Iemand wordt op of na 1 juli 2015 benoemd tot RvC-lid en halverwege de 1e termijn van 4 jaar benoemd tot voorzitter. Ziet de Woningwet 2015 de functieverschuiving als een (her)benoeming?

De regelgeving spreekt alleen van ((her)benoeming tot) commissaris in een RvT, d.w.z. er wordt niet gedifferentieerd naar de functie van voorzitter of RvT-lid. In de onderhavige gevallen van functieverschuiving en de daarmee samenhangende tussentijdse benoeming in die functie, mag dan ook de aanvankelijk voor betrokkene bepaalde zittingstermijn (doorgaans 4 jaar) worden uitgediend. Indien het een eerste benoemingstermijn van betrokkene betrof, kan hierop ook nog eenmalig een herbenoemingstermijn van 4 jaar volgen. Deze (laatste) herbenoeming vereist vooraf de zienswijze van de Autoriteit woningcorporaties.
De differentiatie tussen de functie van voorzitter of lid kan overigens wel een rol spelen bij de geschiktheidtoets i.v.m. functiezwaarte.
Bron: BZK

Op welke termijn moeten commissarissen voldoen aan de eisen dat men geen volgens de Woningwet conflicterende commissariaten en functies mag hebben?

Commissarissen met (neven)functies die op basis van artikel 30, zesde lid van de wet niet te verenigen zijn met de functie van commissaris bij een toegelaten instelling kunnen deze (neven)functie uitoefenen tot het moment waarop de benoemingstermijn als commissaris voor deze persoon eindigt. Om in aanmerking te komen voor herbenoeming als commissaris zal de betreffende persoon de nevenfuncties die niet overeenkomen met de genoemde bepaling in de wet, moeten opgeven. Benoemingen die na 1 juli 2015 plaatsvinden moeten alle aan de nieuwe wettelijke bepalingen voldoen.
Bron: BZK

Welke werkzaamheden gaan niet samen met een functie van bestuurder of commissaris?

Voor zowel bestuurders als commissarissen van een toegelaten instelling moet voorkomen worden dat er sprake is van tegenstrijdige belangen tussen het uitoefenen van een functie voor de toegelaten instelling en andere (neven)functies van de betrokken persoon. De gevallen zoals genoemd in artikel 25, vierde lid van de wet en artikel 30, zesde lid van de wet zien erop (mogelijke) tegenstrijdige belangen uit te sluiten. Als een 'orgaan van een organisatie die zich tot doel stelt de belangen van gemeenten/provincies/waterschappen te behartigen' worden de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen bedoeld. Met 'een orgaan van een organisatie' wordt op grond van de wet niet bedoeld een bedrijf dat advies- of consultancywerk doet voor gemeenten, provincies of waterschappen.
Bron: BZK

Mag je als interim-bestuurder bij een woningcorporatie commissaris zijn/worden bij een corporatie?

Dit is niet mogelijk als de interim-bestuurder is/wordt benoemd in de functie van bestuurder. Daarmee zou in strijd worden gehandeld met artikel 25, 4e lid sub b. Dat artikel gaat niet alleen uit van een beperking van een mogelijke dubbelfunctie bij de ‘eigen’ TI, maar ook bij elke andere TI.
Bron: BZK

Wanneer is sprake van ontstentenis of belet?

Ontstentenis ziet op situaties waarin een bestuurder of commissaris zijn taak blijvend niet kan vervullen (overlijden, ziekte). Belet ziet op de situatie dat een bestuurder of commissaris tijdelijk zijn taak niet kan of mag vervullen.
Bron: BZK

Kan een commissaris terugkeren in de RvT na tijdelijke vervanging van de bestuurder bij ontstentenis of belet?

Artikel 30, zesde lid, onder b schrijft voor dat het lidmaatschap van de RvT onverenigbaar is met 'het eerdere lidmaatschap van het bestuur van de toegelaten instelling.' Verder schrijft de wet in artikel 25, elfde lid onder a, voor dat de statuten van een toegelaten instelling voorschriften bevatten over de wijze waarop voorlopig in het bestuur van de toegelaten instelling wordt voorzien, in geval van ontstentenis of belet van de bestuurder(s). Het voorlopig/tijdelijk voorzien in het bestuur bij ontstentenis of belet betreft een andere situatie dan de omstandigheid dat een persoon wordt of is benoemd als bestuurder van een toegelaten instelling. Een terugkeer na een (korte) vervanging bij ontstentenis of belet als commissaris is daarom mogelijk.
Bron: BZK

Hoe lang mag een commissaris  een bestuurder vervangen bij ontstentenis of belet van een bestuurder? Is de periode van waarneming gemaximeerd? Hoe verhoudt deze termijn zich tot de werving van een nieuwe (interim) bestuurder, die beoordeeld moet worden op de eisen van fit en proper?

Deze vraag is met name van belang voor toegelaten instellingen met maar één bestuurder. In het geval van een bestuur met twee of meer leden, zullen de bestuurstaken bij ontstentenis of belet kunnen worden ingevuld door een andere bestuurder van de toegelaten instelling.

Verder is het onderscheid tussen (tijdelijke) waarneming en benoeming relevant. 
Waarnemen in het kader van ontstentenis en belet (op basis van een bepaling in de statuten conform artikel 25, zevende lid Woningwet) kan plaatsvinden zonder dat de betreffende commissaris is beoordeeld op betrouwbaarheid en geschiktheid en moet worden onderscheiden van de formele benoeming tot (interim-)bestuurder.
Aan een benoeming ligt op grond van de Woningwet altijd een fit en proper-test ten grondslag, ook in het geval het een interim benoeming betreft. Na een (tijdelijke) benoeming tot bestuurder van de toegelaten instelling, kan de betreffende commissaris niet terugkeren naar de RvT van de corporatie (artikel 30, zesde lid sub b, Woningwet).

Indien een commissaris tijdelijk bestuurstaken waarneemt bij ontstentenis of belet van een bestuurder, dan legt deze persoon voor de periode dat hij de bestuurstaken waarneemt zijn taken als toezichthouder neer. Let wel: een dergelijke waarneming gaat dus niet gepaard met een formele benoeming door de RvT. Ook blijft de commissarisvergoeding (binnen de WNT-normen) aan de orde en vindt geen betaling als bestuurder plaats. Daarbij treedt de commissaris tijdelijk terug als commissaris. Na afloop van de periode van waarneming van bestuurstaken kan de commissaris terugkeren in de RvT en zijn taken als toezichthouder opnieuw ter hand nemen.

De wetgeving (Burgerlijk Wetboek of Woningwet) kent geen maximale termijn voor waarneming van bestuurstaken bij ontstentenis of belet. Uit beschikbare jurisprudentie met betrekking tot waarneming bij ontstentenis en belet in de zorg, komt naar voren dat een commissaris bij ontstentenis en belet voor een (zeer) korte periode de taken van een bestuurder kan waarnemen. Deze periode is noodzakelijkerwijs zo kort mogelijk, omdat hiermee enkele dilemma’s samenhangen:

  1. Bij waarneming van bestuurstaken door een commissaris ontstaat er namelijk een situatie waarin de verschillende taken binnen de toegelaten instelling (bestuurder vs. toezichthouder) tijdelijk worden vermengd;
  2. Bovendien ontstaat er een dilemma ten aanzien van de bestuursbeslissingen die een waarnemer zou kunnen nemen. Het waarnemen van bestuurstaken zou er in beginsel op gericht moeten zijn lopende zaken af te kunnen doen om te voorkomen dat de organisatie komt stil te liggen. Beslissingen over zaken die de kern van de toegelaten instelling raken, zoals omvangrijke investeringsbeslissingen zouden in beginsel niet door een waarnemend bestuurder moeten worden genomen, maar moeten wachten totdat een (interim-)bestuurder voor de toegelaten instelling is benoemd;
  3. Tevens geldt in het geval van ontstentenis en belet dat de taken van de bestuurder tijdelijk door een persoon worden waargenomen, die in het geheel niet, of niet voor de functie van bestuurder is beoordeeld in het kader van de fit en proper test.

Indien toegelaten instellingen worden geconfronteerd met een situatie waarin sprake is van ontstentenis (bijv. bij overlijden of ontslag) of belet (bijv. ziekte of schorsing) zal door de RvT binnen een zo kort mogelijke termijn de werving van een (tijdelijke) bestuurder in gang gezet moeten worden.
Bron: BZK

Hoe gaat het in de praktijk als blijkt dat commissarissen toch collega-commissarissen zijn? Hoe is dit juridisch afdwingbaar in de praktijk?

De RvT moet dit consteren en de betreffende commissarissen de keuze voorleggen welke functie zij niet meer wensen te vervullen.
Bron: BZK

Hoe wordt in het BTIV geregeld dat minstens een derde van de RvT moet bestaan uit huurderscommissarissen die rechtstreeks zijn voorgedragen door huurders?

Dit is al opgenomen in de wet, in artikel 31, negende en tiende lid. Daarom behoeft het geen uitwerking in het BTIV.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, p. 12

Toelichting VTW

De Woningwet bepaalt in lid 9 en 10 het volgende:

''(Lid 9) De statuten bepalen in elk geval, dat:

  1. de in het belang van de huurders van woongelegenheden van de toegelaten instelling werkzame huurdersorganisaties als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op het overleg huurders verhuurder gezamenlijk het recht hebben een bindende voordracht te doen voor twee of meer commissarissen, indien de raad van toezicht uit vijf of meer commissarissen bestaat, dan wel een bindende voordracht te doen voor één commissaris, indien die raad uit drie of vier commissarissen bestaat;
  2. indien er geen zodanige huurdersorganisatie is, het in onderdeel a bedoelde voordrachtsrecht berust bij de huurders van de woongelegenheden van de toegelaten instelling gezamenlijk;
  3. de raad van toezicht bij de benoeming van commissarissen niet aan een voordracht als bedoeld in onderdeel a voorbijgaat, tenzij door die benoeming in strijd met het bepaalde bij of krachtens dit artikel zou worden gekomen, of tenzij de algemene vergadering van een toegelaten instelling die een vereniging is het bindende karakter aan die voordracht heeft ontnomen, in welke gevallen de raad van toezicht hetzelfde aantal commissarissen uit de kring van huurders van woongelegenheden van toegelaten instellingen of uit de kring van huurdersorganisaties als bedoeld in onderdeel a benoemt als het aantal waarop die voordracht betrekking had;
  4. die algemene vergadering slechts besluit om het bindende karakter aan een voordracht als bedoeld in onderdeel a te ontnemen, indien op die vergadering een aantal stemmen kan worden uitgebracht dat ten minste de helft bedraagt van het aantal stemmen dat door de stemgerechtigden gezamenlijk kan worden uitgebracht, en
  5. indien geen voordracht is gedaan als bedoeld in onderdeel a of b, de raad van toezicht er zorg voor draagt dat hetzelfde aantal commissarissen uit de huurders van de woongelegenheden van de toegelaten instelling wordt benoemd als waarop een zodanige voordracht betrekking zou kunnen hebben gehad, met dien verstande dat door die benoeming niet in strijd met het bepaalde bij of krachtens dit artikel mag worden gekomen.

(Lid 10) Het aantal op grond van het negende lid, onderdeel a of b, voorgedragen commissarissen of het aantal op grond van het negende lid, onderdeel e, benoemde commissarissen, is zodanig, dat zij tezamen ten minste een derde deel en niet de meerderheid van de raad van toezicht kunnen uitmaken.''

Het minimum en maximum aantal huurdercommissarissen hangt dus af van de omvang van de RvT:

  • RvT bestaande uit 3 commissarissen: 1 huurdercommissaris
  • RvT bestaande uit 4 commissarissen: 2 huurdercommissarissen 
    (NB Op grond van lid 10 - dat via een amendement aan de wet is toegevoegd - bedraagt het aantal huurdercommissarissen bij een RvT van vier commissarissen: 2. Dit is conflicterend met lid 9, waarin wordt bepaald dat het aantal huurdercommissarissen bij een RvT  van vier commisarissen is: 1. 
    BZK heeft aangegeven dat lid 9 via reparatiewetgeving zal worden aangepast. Mocht een RvT 2:2 geen fijne verhouding vinden, kan zij opteren voor een RvT van drie of van vijf commissarissen.)
  • RvT bestaande uit 5 commissarissen: 2 huurdercommissarissen
  • RvT bestaande uit 6 commissarissen: minimaal 2 huurdercommissarissen en maximaal 3
  • RvT bestaande uit 7 commissarissen: 3 huurdercommissarissen
  • RvT bestaande uit 8 commissarissen: minimaal 3 huurdercommissarissen en maximaal 4

De Woningwet bepaalt dat de statuten per 1 januari 2017 moeten zijn aangepast. De bepalingen over de huurderscommissaris zijn gekoppeld aan de statuten. Hoe werkt dat in de praktijk?

In het geval dat de statuten van een corporatie in de periode tussen 1 juli 2015 en 1 januari 2017 nog niet zijn aangepast aan de nieuwe wettelijke vereisten, dan zal een corporatie wel gebonden zijn aan de wet in plaats van de (nog te wijzigen) statuten. Daar waar het aantal huurderscommissarissen niet aan het wettelijk gestelde minimum voldoet is het derhalve raadzaam met voorrang een huurderscommissaris te benoemen gelet op de wettelijke bepaling.
Bron: BZK

Een corporatie met zeven RvT-leden heeft twee leden die zijn voorgedragen door de huurders, wat minder is dan een derde. Betekent dit dat bij de eerste herbenoeming (begin 2016) de betreffende commissaris niet kan worden herbenoemd, en dat de huurdersorganisatie gevraagd moet worden een nieuw lid voor te dragen? Mag ook gekozen worden om bij een tweede herbenoeming later in 2016 een huurderscommissaris te werven?

Ja, respectievelijk nee. Van corporaties wordt verwacht dat zij zo snel mogelijk voldoen aan de eisen die gelden voor de samenstelling van de RvT op basis van de wet. Wanneer dus niet ten minste een derde van de commissarissen is benoemd op voordracht van de huurdersorganisaties, dient bij het verlopen van de benoemingstermijn van de eerste zittende commissaris van wie deze termijn afloopt, een nieuwe kandidaat-commissaris te worden geworven en benoemd op voordracht van de huurdersorganisaties van de corporaties. Dit kan betekenen dat een zittende commissaris niet in aanmerking komt voor herbenoeming. De benoeming van een commissaris op voordracht van de huurdersorganisaties dient te voldoen aan alle wettelijke eisen, zoals de fit and proper test.
Bron: BZK.

Als er meerdere (overkoepelende) bewonersorganisaties zijn waarmee de corporatie het overleg voert, wie mag dan de commissarisvoordrachten doen?

In de Woningwet zijn geen voorschriften opgenomen over de handelwijze in deze casus. Ook het Burgerlijk Wetboek biedt geen (dwingendrechtelijke) voorschriften hierover. Indien sprake is van meerdere huurdersorganisaties binnen een corporatie, zouden de statuten voorschriften moeten bevatten en aanzien van het te volgen proces bij de voordracht van een huurderscommissaris.
Aanvullend op de statuten kunnen betrokken partijen binnen de corporatie werkafspraken overeen komen bij aanvang van het proces om te komen tot een voordracht van een huurderscommissaris.

In de handreiking De huurderscommissaris geven de VTW en Woonbond aanbevelingen om een zorgvuldig proces van de voordracht en de kwaliteit en professionaliteit van het intern toezicht te bevorderen.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, pp. 6, 14, bewerkt

Wat gebeurt er als de huurdersorganisatie geen voordracht voor een huurdercommissaris doet?

Als er geen voordracht van de huurders is, moet de RvT actief werven in overleg met de huurdersvertegenwoordiging.
Bron: BZK

Is een advies van de huurdersorganisatie aan de RvT bij (her)benoeming van de bestuurder of de commissarissen vereist?

Er is geen verplichting om de huurdersorganisatie te raadplegen of om advies te vragen. De wet en het BTIV voorzien niet in directe betrokkenheid van de huurdersorganisatie. (Her)benoeming van een bestuurder en van leden van de RvT zelf, is de taak van de RvT. Per 1 juli 2015 is een positieve zienswijze van de minister daarop vereist. Via het recht van voordracht dat de huurdersorganisatie heeft voor ten minste twee leden van de RvT, indien de raad bestaat uit ten minste vijf leden (Woningwet, artikel 30, lid 9), is er wel sprake van een indirecte betrokkenheid bij de (her)benoeming van bestuurders en leden van de RvT. De (huurders)commissarissen kunnen bij een op handen zijnde (her)benoeming de huurdersorganisatie wel raadplegen.

Aanbevelingen van de VTW en Woonbond die zijn opgenomen in de publicatie De huurdercommissaris:

  • De RvT betrekt de voordragende huurdersorganisatie bij de vaststelling van de (algemene) profielschets voor de RvT.
  • De huurdersorganisatie en de RvT overleggen één of twee keer per jaar over het algemeen beleid van de corporatie. In dit kader legt de RvT alle commissarisbenoemingen ter informatie voor aan de huurdersorganisatie.

Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, pp. 6, 14, bewerkt

Hoe gaat een verzoek tot ontslag van een commisssaris of de RvT bij de Ondernemingskamer in zijn werk? Is de Ondernemingskamer hier op voorbereid?

Artikel 33 maakt het mogelijk dat een verzoek bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam wordt ingediend om een individuele commissaris of volledige RvT te ontslaan. Een verzoek tot ontslag kan worden gedaan door de corporatie (vertegenwoordigd door bestuur of RvT) en de minister. Het indienen van een verzoekschrift op grond van artikel 33 van de wet verloopt via de verzoekschrift procedure van de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam.
Bron: BZK

Wie moet de nieuwe RvT benoemen als de eerdere RvT volledig in een keer ontslagen is?

Corporaties moeten volgens de wet in hun statuten vastleggen hoe bij ontstentenis (en belet) in de RvT (en het bestuur) wordt voorzien.
Bron: BZK

Wie stelt de jaarrekening van de corporatie vast?

Volgens art. 35, derde lid van de wet geschiedt de vaststelling als de corporatie een stichting is door de RvT en als de corporatie een vereniging is door de algemene vergadering, tenzij de statuten hiertoe de RvT aanwijzen.

De minister heeft er bewust voor gekozen om in de Woningwet op dit punt wat af te wijken van de regeling in het BW. De algemene regel voor stichtingen staat in art. 2:300 lid 3 BW:

“De jaarrekening wordt uiterlijk een maand na afloop van de termijn vastgesteld door het daartoe volgens de statuten bevoegde orgaan. Indien de statuten deze bevoegdheid niet aan enig orgaan verlenen, komt deze bevoegdheid toe aan het toezicht houdende orgaan en bij gebreke daarvan aan het bestuur.

De algemene regel voor verenigingen staat in art. 2:49 lid 3 BW:

“De jaarrekening wordt vastgesteld door de algemene vergadering die het bestuur uiterlijk een maand na afloop van de termijn doet houden.”

De afwijking van het BW in artikel 35 van de Woningwet is toegelicht in de MvT (pag. 49) op het allereerste wetsvoorstel:

“Ingevolge het voorgestelde tweede lid is het vaststellen van de jaarrekening de taak van de RvT als het om een stichting gaat en de taak van de algemene vergadering als het om een vereniging gaat. In de statuten van een vereniging kan een keuze gemaakt worden voor goedkeuring van de jaarrekening door de RvT.”.

De basis voor afwijking van het BW staat in artikel 22, tweede lid van de Woningwet:

"Tenzij daarvan in deze afdeling wordt afgeweken:
a. zijn de bepalingen van titel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op de toegelaten instellingen die verenigingen zijn, en
b. zijn de bepalingen van titel 6 van dat boek van toepassing op de toegelaten instellingen die stichtingen zijn."

In veel statuten van woningstichtingen staat nu nog dat het bestuur de jaarrekening vaststelt en dat de RvC (of RvT) daarvoor goedkeuring moet verlenen. Die regeling is destijds n.a.v. de aanbevelingen van de commissie Glasz gebaseerd op de regeling voor de zogenaamde structuurvennootschappen (de grote NV’s en BV’s). Die goedkeuringsregeling in het BW is echter in 2004 vervallen, en vervangen door de regeling dat bij alle BV's/NV's de jaarrekening wordt vastgesteld door de algemene vergadering.
De Woningwet sluit hierbij aan door de jaarrekening te laten vaststellen (i.p.v. goedkeuren) door de RvC/RvT (of door de algemene vergadering bij de vereniging). De statuten van de corporaties zullen op dat punt moeten worden gewijzigd.
Bron:  artikelen 35 lid 3 en 22 lid 2 Woningwet, MvT pagina 49, artikelen 2:300 lid 3 en 2:49 lid 3 BW

Is het mogelijk om finale kwijting te geven bij vertrek van een commissaris?

Ja, finale kwijting aan een commissaris (of bestuurder) is toegestaan. Hiermee kan immers worden voorkomen dat een geschil alleen via (kostbare) juridische procedures kan worden opgelost. Mochten er overigens na de finale kwijting zaken aan het licht komen die op het moment van verlening niet bekend waren, dan kan de finale kwijting in bepaalde situaties zijn waarde verliezen. De corporatie kan zich dan mogelijk beroepen op het Burgerlijk Wetboek (bijvoorbeeld in geval van dwaling of onvoorziene omstandigheden).

Op 3 juni heeft BZK op bovenstaand antwoord onderstaande toelichting gegeven:

Bedoeld is juist dat met een finale kwijting een (dure) gang naar de rechter om een geschil met een bestuurder of commissaris op te lossen eventueel kan worden voorkomen (bijv. door een minnelijke schikking, vast te leggen in een vaststellingsovereenkomst).
Dit betekent overigens geenszins dat een corporatie deze weg hierom ook altijd moet bewandelen. Corporaties zijn in een vaststellingsovereenkomst niet verplicht tot het verlenen van finale kwijting en het verkrijgen daarvan is ook geen (wettelijk) recht voor vertrekkende bestuurders of commissarissen.
Evenmin is het zo dat een corporatie in alle gevallen haar rechten op een eventuele aansprakelijkstelling verspeelt bij een finale kwijting (of decharge). Zoals in het tweede deel van het eerdere antwoord ook staat, kan een eerder verleende finale kwijting of decharge in bepaalde situaties haar waarde verliezen als bv. later blijkt dat deze op basis van onjuiste of onvolledige informatie is verleend.

Uitgangspunt van een finale kwijting is dat de corporatie daarmee afziet van eventuele vorderingen op een vertrekkende bestuurder of commissaris. Dit kan bijv. via een vaststellingsovereenkomst waarin partijen wederzijds verklaren over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben. Tegenover het in het in het eerder antwoord veronderstelde ‘voordeel’, dat een finale kwijting een dure rechtsgang kan voorkomen, dient te worden onderkend dat het de corporatie kan beperken in haar mogelijkheden tot aansprakelijkstelling van bestuurder en commissarissen, zo zij dit achteraf toch nodig acht. Dit kan inderdaad leiden tot financiële schade. Het is hierom dat een besluit tot finale kwijting ook niet lichtzinnig zou moeten worden genomen.

Zoals hiervoor al is aangegeven, hoeft een finale kwijting niet onherroepelijk te zijn. Deze zou in voorkomende gevallen haar waarde kunnen verliezen indien later bv. blijkt dat deze op onjuiste en/of onvolledige gronden is verleend. In de door AKD genoemde casus WSG oordeelde de rechtbank dat de corporatie zich daar niet op kon beroepen, omdat zij al opdracht had gegeven tot extern onderzoek naar wanbeleid vóór zij de vaststellingsovereenkomst sloot. In die omstandigheden, zo oordeelde de rechtbank, had WSG willens en wetens de finale kwijting verleend en kan die niet achteraf worden aangetast.
Bron: BZK

Waarom is de Autoriteit Woningcorporaties niet verplicht een exitgesprek te voeren met een tussentijds opgestapte commissaris?

Het tussentijds opstappen van een lid van de RvT kan een signaal zijn dat er iets aan de hand is bij een corporatie. Het ligt in de rede dat de toezichthouder een dergelijk signaal oppakt, bijvoorbeeld door betrokkene uit te nodigen voor een exitgesprek. Een wettelijke verplichting daartoe acht de regering echter te vergaand, aangezien een lid van de RvT ook om andere dan ernstige redenen kan vertrekken voordat zijn of haar benoemingstermijn eindigt.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, p. 15, bewerkt

In welke gevallen dient de RvT de minister i.c. de Autoriteit Woningcorporaties te informeren?

In de wet zijn maatregelen getroffen, zodat het intern en extern toezicht elkaar kunnen versterken en aanvullen. In artikel 27 van het BTIV zijn de situaties benoemd waarin de RvT de minister, in casu de externe toezichthouder, op de hoogte dient te stellen, omdat het daarbij voor de minister in het kader van het toezicht wenselijk is vroegtijdig op de hoogte te zijn van ontwikkelingen die bij de corporatie spelen. Het gaat om:

  • schade of mogelijke schade aan het belang van de volkshuisvesting door handelen van de corporatie;
  • indien sprake is van een onoverbrugbaar geschil tussen het bestuur en de RvT van de corporatie of tussen de corporatie en een dochtermaatschappij;
  • twijfel over rechtmatigheid van handelen of de integriteit bij beleid en beheer van de corporatie;
  • indien sprake is van liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen bij de corporatie of een dochtermaatschappij van die corporatie.

Bij Ministeriële Regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, pp. 68, 69

Kunnen commissarissen aansprakelijk worden gesteld voor het niet tijdig voldoen aan de meldplicht bij de Autoriteit Woningcorporaties? Kunnen zij zich hiertegen verzekeren?

Uitgangspunt van de wet is een wederzijdse uitwisseling van informatie tussen interne en externe toezichthouder. In het BTIV, artikel 27, eerste lid staan de gevallen waarin de RvT de minister dient te informeren. Leden van de RvT dienen een eigen afweging te maken, wat in lijn is met de primaire verantwoordelijkheid die de raad heeft voor het toezicht op de gang van zaken binnen de corporatie. Mogelijke problemen binnen de corporatie (zoals genoemd in het BTIV, artikel 27, eerste lid, onder a en c) waarvan de RvT van mening is dat die niet binnen de corporatie zelf opgelost kunnen worden en waarover het bestuur van de corporatie niet zelf de toezichthouder informeert, dient de RvT te melden aan de externe toezichthouder die zo nodig (aanvullende) maatregelen kan nemen. Tevens informeert de RvT, indien het bestuur dat niet zelf doet, de minister indien sprake is van een onoverbrugbaar geschil tussen bestuur en RvT, en bij liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen in de corporatie.

Artikel 61lb van de wet bepaalt dat de externe toezichthouder de leden van de RvT informeert over (voornemens tot) toezichtmaatregelen bij de corporatie. Gegeven de centrale verantwoordelijkheid van het bestuur voor de instelling en de informatieverplichtingen die daarmee samenhangen, zal de externe toezichthouder zich bij problemen primair richten tot het bestuur. Omgekeerd is het bestuur ook de eerst aangewezene om de externe toezichthouder te informeren bij problemen. Indien dat niet gebeurt, zal de RvT zijn verantwoordelijkheid moeten nemen en de externe toezichthouder informeren. Wanneer mogelijk sprake is van gebrekkig intern toezicht c.q. taakverwaarlozing door (leden van) de RvT, kan de externe toezichthouder gebruik maken van publiekrechtelijke sanctiemiddelen, zoals het opleggen van een schorsing of ontslag. Leden van een RvT kunnen door de corporatie zelf ook (hoofdelijk) civielrechtelijk aansprakelijk gesteld worden voor hun handelen of nalaten in de uitvoering van hun functie, door het van overeenkomstige toepassing verklaren van bepalingen uit het BW over bestuurdersaansprakelijkheid. Daarbij zal de rechter moeten vaststellen, of op grond van alle omstandigheden van het geval sprake is van ‘ernstige verwijtbaarheid’. Het niet melden van informatie door (leden van) de RvT aan de externe toezichthouder zal in de specifieke context worden beoordeeld. Of enkel het niet melden van informatie is gedekt door een aansprakelijkheidsverzekering, zal, naast de specifieke feiten en omstandigheden van het geval, afhangen van wat aan voorwaarden in de specifieke verzekeringsovereenkomst is opgenomen.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, pp. 16, 17

In welke gevallen is de minister i.c. de Autoriteit Woningcorporaties verplicht de RvT te informeren?

Er is sprake van een wederzijdse informatieverplichting. De wet bevat voor de externe toezichthouder de bepaling (artikel 61lb) dat hij in bepaalde, bij of krachtens AMvB te bepalen gevallen de RvT van de corporatie op de hoogte stelt van zijn toezichttaken. Die gevallen zijn bepaald in artikel 114 van het BTIV.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, pp. 68, 69

Moeten een corporatie die vereniging is aan de zelfde governance eisen voldoen als een corporatie die stichting is?

De wet geldt voor corporaties die zowel een vereniging als een stichting kunnen zijn. De eisen die aan corporaties worden gesteld in het kader van governance zijn voor verenigingen of stichtingen gelijk.
Bron: BZK

Hoe vindt statutenwijziging plaats bij een corporatie die vereniging is?

Het algemene uitgangspunt in de Woningwet (artikel 24 lid 1) is dat het bestuur bevoegd is de statuten te wijzigen. Specifiek voor de corporatie die vereniging is, geldt dat de algemene (leden)vergadering, op voorstel van het bestuur, hiertoe bevoegd is.
Bron: Woningwet, artikel 24 lid 1

Wie benoemt de commissarissen bij een corporatie die vereniging is?

Artikel 30, tweede lid van de wet bepaalt dat commissarissen worden benoemd door de RvT. De statuten van een vereniging kunnen bepalen dat een voordracht voor de benoeming van een commissaris door de RvT eerst moet worden voorgelegd aan de Algemene Vergadering van de vereniging, voordat tot benoeming wordt overgegaan.
Bron: BZK

Wat is de beweegreden om te regelen in art 30 lid 9 onderdeel c van de Woningwet dat de ALV het bindende karakter van een RvT-voordracht door de huurdersorganisatie kan ontnemen?

Dit betreft geen nieuw element. Een vergelijkbare bepaling was reeds ondergebracht in artikel 7, lid 1, onderdeel f van het BBSH. De achtergrond voor de mogelijkheid om het bindende karakter van een voordracht van een kandidaat-commissaris te ontnemen (aan de hand van een besluit van de algemene vergadering van een corporatie die een vereniging is) is gelegen in de status van de algemene vergadering als hoogste orgaan binnen een vereniging.
Bron: BZK.

Hoe verandert de nieuwe Woningwet de benoeming van het bestuur bij een corporatie die vereniging is?

Tot de inwerkingtreding van de Woningwet kan het bestuur van een corporatie die vereniging is op twee manieren worden benoemd: of het bestuur en de RvT worden door de algemene (leden)vergadering benoemd, of de ledenvergadering benoemt de RvT en de RvT benoemt het bestuur. De Woningwet bepaalt in artikel 25 lid 1 dat op dit punt het verenigingsrecht (BW, Boek 2, art 37 lid 1 t/m 6) buiten werking wordt gesteld. Dit betekent voor corporaties die vereniging zijn, dat:

  • het bestuur niet uit de leden wordt benoemd door de algemene (leden)vergadering;
  • het bestuur alleen kan worden benoemd door de RvT.

En dit geldt dus al vanaf 1 juli 2015, ook als de statuten op 1 juli 2015 daarop nog niet zouden zijn aangepast.
Bron: Woningwet, artikel 25 lid 1

Houden huurders bij een corporatie die vereniging is in de nieuwe Woningwet het recht om een bindende voordracht te doen voor een zetel in de RvT?

De statuten van iedere corporatie, dus ook die van de corporatie die vereniging is, moeten bepalen dat huurders in de gelegenheid worden gesteld een bindende voordracht voor zetels in de RvT te doen (Woningwet, artikel 30 lid 9 onder a).
Een bijzondere bepaling voor de corporatie die vereniging is, is de bevoegdheid van de algemene (leden)vergadering om het bindende karakter te ontnemen aan een voordracht vanuit de huurders voor een commissaris (Woningwet, artikel 30 lid 9 onder c en d). Voor een dergelijk besluit van de algemene (leden)vergadering gelden strenge eisen: het kan alleen maar worden genomen indien op een vergadering de meerderheid van de stemgerechtigden aanwezig is. Aanwezige huurders die geen lid van de vereniging zijn, tellen daarbij dus niet mee (Woningwet, artikel 30 lid 9 onder e).
Bron: Woningwet, artikel 30 lid 9, onder a, c, d en e

Heeft de ALV of Ledenraad van een vereniging nog een rol bij het vaststellen van de honorering van de leden van de RvT. Of doet de RvT dit ook zelf (binnen de vastgestelde kaders)?

De ALV of Ledenraad van een vereniging kunnen een rol krijgen bij het vaststellen van de honorering van de leden van de RvT. Dit is geen vereiste, de RvT kan dit ook zelf bepalen. De WNT is daarbij leidend.
Bron: BZK.

Zijn corporaties met de verenigingsvorm anders dan ‘gewone’ verenigingen?

Het Burgerlijk Wetboek (boek 2, titel 2) ten aanzien van verenigingen is van toepassing. Dit betekent dat de algemene regels die gelden voor verenigingen ook gelden voor corporaties die verenigingen zijn. Op enkele punten is dit niet zo:

  • Bij ‘gewone’ verenigingen geldt dat de algemene (leden)vergadering bevoegd is de statuten te wijzigen. Specifiek voor corporaties die vereniging zijn, geldt dat de algemene (leden)vergadering, hiertoe slechts bevoegd is op voorstel van het bestuur.
  • Bij ‘gewone’ verenigingen dienen de statuten het bestuur voor het verrichten van bepaalde handelingen die bevoegdheid specifiek toe te kennen, eventueel gebonden aan beperkingen en voorwaarden (BW, Boek 2, artikel 44 lid 2). Bij corporaties die vereniging zijn, is het bestuur bevoegd tot het verrichten van alle handelingen die in het belang zijn van de vereniging.

Bron: BW, Boek 2, titel 2; Woningwet, artikel 22 lid 2 onder a