Wet- en regelgeving

Woningwet 2015: Q&A

De beantwoording van onderstaande vragen is gebaseerd op basis van de Woningwet zoals deze door de Tweede en Eerste Kamer is aanvaard, de Algemene Maatregel van Bestuur/Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting 2015 (BTIV) en de Ministeriële Regeling/Regeling Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting 2015 (RITV) waarin nadere regels worden gesteld.

De nieuwe externe toezichthouder, de Autoriteit Woningcorporaties (Aw), gaat op 1 juli van start. Het nieuwe toezichtkader wordt pas bekend nadat de wet al van kracht is. Wel is de Aw vanaf 1 juli bereikbaar voor vragen van woningcorporaties die aan de hand van concrete casuïstiek zeker willen weten of zij voldoen aan de wet. Dat kan via dit vragenformulier van het Meld- en Informatiecentrum (MIC) van de Inspectie Leefomgeving en Transport (T 088 489 00 00).

Zie ook de website van Aedes voor een uitgebreide Q and A en de website Woningwet2015.nl.

Moeten de statuten van de corporatie per 1 juli 2015 zijn aangepast?

De Woningwet is per 1 juli 2015 in werking getreden. Corporaties hebben tot 1 januari 2017 de tijd om statuten, reglementen, organisatie en werkzaamheden in overeenstemming te brengen met de wet.
Bron: Woningwet, artikel 25 lid 1.

Moeten benoemingen vanaf 1 juli 2015 al voldoen aan de Woningwet, ook als de statuten nog niet zijn aangepast?

De wettelijke regeling voor de benoeming van het bestuur geldt per 1 juli 2015. Dit betreft zowel de procedurele als de inhoudelijke vereisten. Ook als de statuten nog niet zouden zijn aangepast.
Bron: Woningwet, artikel 25 lid 1.

Wanneer gaat de fit- en propertoets in?

Artikel 30, derde lid van de Woningwet bepaalt dat voor (her)benoeming van een commissaris een positieve zienswijze van de minister nodig is op de geschiktheid en de betrouwbaarheid van de betrokken personen. Deze zgn. 'fit and proper' toets geldt per 1 juli 2015 voor nieuwe (her)benoemingen/aanwijzingen.

De "benoeming" als bedoeld in de wet, waaraan een zienswijze over de geschiktheid en betrouwbaarheid vooraf moet zijn gegaan, is de datum van het BESLUIT TOT (HER)BENOEMING. Ligt deze datum vóór 1 juli a.s. dan heeft de Woningwet op deze benoeming geen invloed en geldt dus ook niet de verplichting tot het doorlopen van de fit en proper toets door de Autoriteit Woningcorporaties/ILT. Ook niet indien de datum van aanvang van de werkzaamheden (feitelijke ingang her-/benoeming) ná 1 juli is gelegen.
Bron: BZK

Zie voor meer informatie ook de Handleiding van VTW en Aedes over de fit en proper test voor bestuurders en commissarissen.

NB BZK heeft een eerder gegeven antwoord (zie onder) vervangen door bovenstaand antwoord. Eerder gegeven en vervangen antwoord:
Uitgangspunt van de wet is dat alle wervingsactiviteiten en benoemingen van bestuurders en commissarissen in overeenstemming zijn met de wet. Omdat het tot kort voor invoering van de wet niet mogelijk is om een verzoek tot beoordeling van geschiktheid en betrouwvbaarheid te doen, is het niet mogelijk dat vanaf 1 juli alle nieuwe benoemingen voorafgegaan zijn door een fit en proper toets. Wervingsactiviteiten die zijn ingezet onder de oude wet die geldt tot 30 juni 2015, zullen derhalve resulteren in benoemingen die nog niet op geschiktheid en betrouwbaarheid zijn getoetst. Alle wervingsactiviteiten voor kandidaat bestuurders of commissarissen en procedures bij herbenoeming van deze functionarissen die plaatsvinden vanaf 1 juli 2015 dienen te voldoen aan de eisen zoals gesteld aan een fit en propertoets.

Vergen (her)benoemingen van bestuurders en commissarissen na 1 juli 2015 goedkeuring van de minister?

Ja. Besluiten tot (her)benoeming vanaf 1 juli 2015 vergen een (positieve) zienswijze van de minister, opgesteld door de Autoriteit woningcorporaties. Zij dienen dus te voldoen aan de eisen zoals gesteld aan een fit en proper test. Een (her)benoeming zonder zienswijze of bij een negatieve zienswijze is in strijd met de volkshuisvesting, waarop sancties kunnen volgen.
Bron: BZK.

Hoe gaat de Autoriteit woningcorporaties (Aw) de toetsing van voorgenomen nieuwe bestuurders en commissarissen opzetten?

De Aw heeft op 1 juli 2015 een aanvang gemaakt met de geschiktheid- en betrouwbaarheidtoetsing. Vanaf dat tijdstip moet elke voorgenomen (her)benoeming aan de toezichthouder worden gemeld. De melding moet zijn onderbouwd en gemotiveerd conform de eisen uit de Ministeriële Regeling (RTIV 2015, Bijlagen 1 en 2, redactie). De regering heeft er vertrouwen in dat de geschiktheid- en betrouwbaarheidtoets per 1 juli 2015 toegepast kan worden. Vanwege het belang dat de regering hecht aan het toetreden en (alleen) behouden van ‘fit and proper’ geachte bestuurders en RvT-leden, lag uitstel van de van de beoogde invoeringsdatum niet in de rede.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, p. 13, bewerkt.

Welke nadere voorschriften worden per Ministeriële Regeling gesteld aan het bestuur en commissarissen, naast de geschiktheidtoets?

Wat betreft de geschiktheid- en betrouwbaarheidtoets zal de Ministeriële Regeling nadere regels bevatten rond het verstrekken van de ministeriële zienswijze over de geschiktheid en de betrouwbaarheid van bestuurders (en commissarissen). Aangezien de inhoudelijke eisen en antecedenten die bij de toetsing worden gehanteerd al zijn opgenomen in de wet en het BTIV, betreft het vooral procedurele eisen. Bijvoorbeeld die met betrekking tot de onderbouwing van de voorgenomen (her)benoeming en het proces dat bij de toetsing wordt gevolgd. Bij een meerhoofdig bestuur zal bij de toetsing van een beoogde kandidaat, net als bij de RvT, ook worden gekeken naar de samenstelling en competenties van het bestuur als geheel.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, p. 14

Kan er bij gerede twijfel aan een zittende commissaris ook tussentijds getoetst worden?

De wet bepaalt dat (alleen) bij benoeming en herbenoeming van bestuurders en commissarissen een zienswijze is vereist waartoe betrokkenen op geschiktheid en betrouwbaarheid worden getoetst. Kandidaten dienen echter ook in de tussenliggende periode te blijven voldoen aan de eisen. In het kader van het (reguliere) toezicht op de governance bij corporaties kan de Autoriteit Woningcorporaties bij twijfel daaromtrent de woningcorporatie daarop aanspreken en zo nodig via een aanwijzing (en sancties) aandringen op maatregelen.
Bron: BZK

Dient de directeur-bestuurder die een aanstelling en benoeming voor onbepaalde tijd heeft, herbenoemd te worden conform de nieuwe Woningwet?

Nee. Het overgangsrecht (Woningwet, artikel II lid 9) geeft aan dat het bepaalde bij en krachtens de artikelen 25 (eisen aan bestuurders) respectievelijk 30 (eisen aan de RvT-leden) van de Woningwet geen gevolgen heeft voor de benoeming of aanwijzing tot bestuurder respectievelijk commissaris van een corporatie die voor 1 juli 2015 heeft plaatsgevonden. Ofwel, in het geval van een directeurbestuurder die vóór 1 juli 2015 is benoemd voor onbepaalde tijd geldt artikel 25 lid 4 niet.
Bron: BZK.

Voor bestuursbesluiten tot het vervreemden van onroerende zaken van meer dan 10 miljoen euro is goedkeuring door de RvT nodig. Is het bedrag van 10 miljoen euro inclusief of exclusief btw?

Exclusief btw.
Bron: BZK.

Voor het doen van een investering ten behoeve van de volkshuisvesting van meer dan 3 miljoen euro is goedkeuring door de RvT nodig. Is het bedrag van 3 miljoen euro inclusief of exclusief btw?

Exclusief btw.
Bron: BZK

Als een commissaris intreedt in het bestaande rooster van aftreden van de RvT en na bijvoorbeeld 2 jaar aftreedt, kan de commissaris dan worden herbenoemd voor 2 jaar en vervolgens voor 4 jaar?

De wet schrijft voor dat leden van de RvT na benoeming maximaal één keer herbenoemd mogen worden. Met een maximale benoemingstermijn van 2 keer 4 jaar. De benoemingstermijn mag korter zijn dan 4 jaar, maar het aantal keren dat je achtereenvolgens wordt benoemd is niet meer dan twee termijnen.

Op 15 juni heeft BZK op bovenstaand antwoord onderstaande toelichting gegeven:

Het overgangsrecht heeft alleen betrekking op de (her)benoemingen die zijn gedaan voor 1 juli; indien deze zouden leiden tot strijdigheid met de nieuwe wetgeving, is dat toegestaan tot het moment dat er zich een gelegenheid voordoet om deze strijdigheid te beëindigen (bijv. een herbenoeming).
Vanaf 1 juli geldt onverkort de wet, en mag iemand die al een keer is herbenoemd (d.w.z. er al twee benoemingstermijnen erop heeft zitten) niet nog een keer worden herbenoemd. Dat zou immers een ‘nieuwe’ herbenoeming betreffen van na de datum van inwerkingtreding en de wet bepaalt dat iemand slechts één keer mag worden herbenoemd (ook al is het korter (geweest) dan acht jaar).
Bron: BZK

Iemand wordt op of na 1 juli 2015 benoemd tot RvC-lid en halverwege de 1e termijn van 4 jaar benoemd tot voorzitter. Ziet de Woningwet 2015 de functieverschuiving als een (her)benoeming?

De regelgeving spreekt alleen van ((her)benoeming tot) commissaris in een RvT, d.w.z. er wordt niet gedifferentieerd naar de functie van voorzitter of RvT-lid. In de onderhavige gevallen van functieverschuiving en de daarmee samenhangende tussentijdse benoeming in die functie, mag dan ook de aanvankelijk voor betrokkene bepaalde zittingstermijn (doorgaans 4 jaar) worden uitgediend. Indien het een eerste benoemingstermijn van betrokkene betrof, kan hierop ook nog eenmalig een herbenoemingstermijn van 4 jaar volgen. Deze (laatste) herbenoeming vereist vooraf de zienswijze van de Autoriteit woningcorporaties.
De differentiatie tussen de functie van voorzitter of lid kan overigens wel een rol spelen bij de geschiktheidtoets i.v.m. functiezwaarte.
Bron: BZK

Op welke termijn moeten commissarissen voldoen aan de eisen dat men geen volgens de Woningwet conflicterende commissariaten en functies mag hebben?

Commissarissen met (neven)functies die op basis van artikel 30, zesde lid van de wet niet te verenigen zijn met de functie van commissaris bij een toegelaten instelling kunnen deze (neven)functie uitoefenen tot het moment waarop de benoemingstermijn als commissaris voor deze persoon eindigt. Om in aanmerking te komen voor herbenoeming als commissaris zal de betreffende persoon de nevenfuncties die niet overeenkomen met de genoemde bepaling in de wet, moeten opgeven. Benoemingen die na 1 juli 2015 plaatsvinden moeten alle aan de nieuwe wettelijke bepalingen voldoen.
Bron: BZK

Welke werkzaamheden gaan niet samen met een functie van bestuurder of commissaris?

Voor zowel bestuurders als commissarissen van een toegelaten instelling moet voorkomen worden dat er sprake is van tegenstrijdige belangen tussen het uitoefenen van een functie voor de toegelaten instelling en andere (neven)functies van de betrokken persoon. De gevallen zoals genoemd in artikel 25, vierde lid van de wet en artikel 30, zesde lid van de wet zien erop (mogelijke) tegenstrijdige belangen uit te sluiten. Als een 'orgaan van een organisatie die zich tot doel stelt de belangen van gemeenten/provincies/waterschappen te behartigen' worden de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen bedoeld. Met 'een orgaan van een organisatie' wordt op grond van de wet niet bedoeld een bedrijf dat advies- of consultancywerk doet voor gemeenten, provincies of waterschappen.
Bron: BZK

Mag je als interim-bestuurder bij een woningcorporatie commissaris zijn/worden bij een corporatie?

Dit is niet mogelijk als de interim-bestuurder is/wordt benoemd in de functie van bestuurder. Daarmee zou in strijd worden gehandeld met artikel 25, 4e lid sub b. Dat artikel gaat niet alleen uit van een beperking van een mogelijke dubbelfunctie bij de ‘eigen’ TI, maar ook bij elke andere TI.
Bron: BZK

Wanneer is sprake van ontstentenis of belet?

Ontstentenis ziet op situaties waarin een bestuurder of commissaris zijn taak blijvend niet kan vervullen (overlijden, ziekte). Belet ziet op de situatie dat een bestuurder of commissaris tijdelijk zijn taak niet kan of mag vervullen.
Bron: BZK

Kan een commissaris terugkeren in de RvT na tijdelijke vervanging van de bestuurder bij ontstentenis of belet?

Artikel 30, zesde lid, onder b schrijft voor dat het lidmaatschap van de RvT onverenigbaar is met 'het eerdere lidmaatschap van het bestuur van de toegelaten instelling.' Verder schrijft de wet in artikel 25, elfde lid onder a, voor dat de statuten van een toegelaten instelling voorschriften bevatten over de wijze waarop voorlopig in het bestuur van de toegelaten instelling wordt voorzien, in geval van ontstentenis of belet van de bestuurder(s). Het voorlopig/tijdelijk voorzien in het bestuur bij ontstentenis of belet betreft een andere situatie dan de omstandigheid dat een persoon wordt of is benoemd als bestuurder van een toegelaten instelling. Een terugkeer na een (korte) vervanging bij ontstentenis of belet als commissaris is daarom mogelijk.
Bron: BZK

Hoe lang mag een commissaris  een bestuurder vervangen bij ontstentenis of belet van een bestuurder? Is de periode van waarneming gemaximeerd? Hoe verhoudt deze termijn zich tot de werving van een nieuwe (interim) bestuurder, die beoordeeld moet worden op de eisen van fit en proper?

Deze vraag is met name van belang voor toegelaten instellingen met maar één bestuurder. In het geval van een bestuur met twee of meer leden, zullen de bestuurstaken bij ontstentenis of belet kunnen worden ingevuld door een andere bestuurder van de toegelaten instelling.

Verder is het onderscheid tussen (tijdelijke) waarneming en benoeming relevant. 
Waarnemen in het kader van ontstentenis en belet (op basis van een bepaling in de statuten conform artikel 25, zevende lid Woningwet) kan plaatsvinden zonder dat de betreffende commissaris is beoordeeld op betrouwbaarheid en geschiktheid en moet worden onderscheiden van de formele benoeming tot (interim-)bestuurder.
Aan een benoeming ligt op grond van de Woningwet altijd een fit en proper-test ten grondslag, ook in het geval het een interim benoeming betreft. Na een (tijdelijke) benoeming tot bestuurder van de toegelaten instelling, kan de betreffende commissaris niet terugkeren naar de RvT van de corporatie (artikel 30, zesde lid sub b, Woningwet).

Indien een commissaris tijdelijk bestuurstaken waarneemt bij ontstentenis of belet van een bestuurder, dan legt deze persoon voor de periode dat hij de bestuurstaken waarneemt zijn taken als toezichthouder neer. Let wel: een dergelijke waarneming gaat dus niet gepaard met een formele benoeming door de RvT. Ook blijft de commissarisvergoeding (binnen de WNT-normen) aan de orde en vindt geen betaling als bestuurder plaats. Daarbij treedt de commissaris tijdelijk terug als commissaris. Na afloop van de periode van waarneming van bestuurstaken kan de commissaris terugkeren in de RvT en zijn taken als toezichthouder opnieuw ter hand nemen.

De wetgeving (Burgerlijk Wetboek of Woningwet) kent geen maximale termijn voor waarneming van bestuurstaken bij ontstentenis of belet. Uit beschikbare jurisprudentie met betrekking tot waarneming bij ontstentenis en belet in de zorg, komt naar voren dat een commissaris bij ontstentenis en belet voor een (zeer) korte periode de taken van een bestuurder kan waarnemen. Deze periode is noodzakelijkerwijs zo kort mogelijk, omdat hiermee enkele dilemma’s samenhangen:

  1. Bij waarneming van bestuurstaken door een commissaris ontstaat er namelijk een situatie waarin de verschillende taken binnen de toegelaten instelling (bestuurder vs. toezichthouder) tijdelijk worden vermengd;
  2. Bovendien ontstaat er een dilemma ten aanzien van de bestuursbeslissingen die een waarnemer zou kunnen nemen. Het waarnemen van bestuurstaken zou er in beginsel op gericht moeten zijn lopende zaken af te kunnen doen om te voorkomen dat de organisatie komt stil te liggen. Beslissingen over zaken die de kern van de toegelaten instelling raken, zoals omvangrijke investeringsbeslissingen zouden in beginsel niet door een waarnemend bestuurder moeten worden genomen, maar moeten wachten totdat een (interim-)bestuurder voor de toegelaten instelling is benoemd;
  3. Tevens geldt in het geval van ontstentenis en belet dat de taken van de bestuurder tijdelijk door een persoon worden waargenomen, die in het geheel niet, of niet voor de functie van bestuurder is beoordeeld in het kader van de fit en proper test.

Indien toegelaten instellingen worden geconfronteerd met een situatie waarin sprake is van ontstentenis (bijv. bij overlijden of ontslag) of belet (bijv. ziekte of schorsing) zal door de RvT binnen een zo kort mogelijke termijn de werving van een (tijdelijke) bestuurder in gang gezet moeten worden.
Bron: BZK

Hoe gaat het in de praktijk als blijkt dat commissarissen toch collega-commissarissen zijn? Hoe is dit juridisch afdwingbaar in de praktijk?

De RvT moet dit consteren en de betreffende commissarissen de keuze voorleggen welke functie zij niet meer wensen te vervullen.
Bron: BZK

Hoe wordt in het BTIV geregeld dat minstens een derde van de RvT moet bestaan uit huurderscommissarissen die rechtstreeks zijn voorgedragen door huurders?

Dit is al opgenomen in de wet, in artikel 31, negende en tiende lid. Daarom behoeft het geen uitwerking in het BTIV.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, p. 12

Toelichting VTW

De Woningwet bepaalt in lid 9 en 10 het volgende:

''(Lid 9) De statuten bepalen in elk geval, dat:

  1. de in het belang van de huurders van woongelegenheden van de toegelaten instelling werkzame huurdersorganisaties als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op het overleg huurders verhuurder gezamenlijk het recht hebben een bindende voordracht te doen voor twee of meer commissarissen, indien de raad van toezicht uit vijf of meer commissarissen bestaat, dan wel een bindende voordracht te doen voor één commissaris, indien die raad uit drie of vier commissarissen bestaat;
  2. indien er geen zodanige huurdersorganisatie is, het in onderdeel a bedoelde voordrachtsrecht berust bij de huurders van de woongelegenheden van de toegelaten instelling gezamenlijk;
  3. de raad van toezicht bij de benoeming van commissarissen niet aan een voordracht als bedoeld in onderdeel a voorbijgaat, tenzij door die benoeming in strijd met het bepaalde bij of krachtens dit artikel zou worden gekomen, of tenzij de algemene vergadering van een toegelaten instelling die een vereniging is het bindende karakter aan die voordracht heeft ontnomen, in welke gevallen de raad van toezicht hetzelfde aantal commissarissen uit de kring van huurders van woongelegenheden van toegelaten instellingen of uit de kring van huurdersorganisaties als bedoeld in onderdeel a benoemt als het aantal waarop die voordracht betrekking had;
  4. die algemene vergadering slechts besluit om het bindende karakter aan een voordracht als bedoeld in onderdeel a te ontnemen, indien op die vergadering een aantal stemmen kan worden uitgebracht dat ten minste de helft bedraagt van het aantal stemmen dat door de stemgerechtigden gezamenlijk kan worden uitgebracht, en
  5. indien geen voordracht is gedaan als bedoeld in onderdeel a of b, de raad van toezicht er zorg voor draagt dat hetzelfde aantal commissarissen uit de huurders van de woongelegenheden van de toegelaten instelling wordt benoemd als waarop een zodanige voordracht betrekking zou kunnen hebben gehad, met dien verstande dat door die benoeming niet in strijd met het bepaalde bij of krachtens dit artikel mag worden gekomen.

(Lid 10) Het aantal op grond van het negende lid, onderdeel a of b, voorgedragen commissarissen of het aantal op grond van het negende lid, onderdeel e, benoemde commissarissen, is zodanig, dat zij tezamen ten minste een derde deel en niet de meerderheid van de raad van toezicht kunnen uitmaken.''

Het minimum en maximum aantal huurdercommissarissen hangt dus af van de omvang van de RvT:

  • RvT bestaande uit 3 commissarissen: 1 huurdercommissaris
  • RvT bestaande uit 4 commissarissen: 2 huurdercommissarissen 
    (NB Op grond van lid 10 - dat via een amendement aan de wet is toegevoegd - bedraagt het aantal huurdercommissarissen bij een RvT van vier commissarissen: 2. Dit is conflicterend met lid 9, waarin wordt bepaald dat het aantal huurdercommissarissen bij een RvT  van vier commisarissen is: 1. 
    BZK heeft aangegeven dat lid 9 via reparatiewetgeving zal worden aangepast. Mocht een RvT 2:2 geen fijne verhouding vinden, kan zij opteren voor een RvT van drie of van vijf commissarissen.)
  • RvT bestaande uit 5 commissarissen: 2 huurdercommissarissen
  • RvT bestaande uit 6 commissarissen: minimaal 2 huurdercommissarissen en maximaal 3
  • RvT bestaande uit 7 commissarissen: 3 huurdercommissarissen
  • RvT bestaande uit 8 commissarissen: minimaal 3 huurdercommissarissen en maximaal 4

De Woningwet bepaalt dat de statuten per 1 januari 2017 moeten zijn aangepast. De bepalingen over de huurderscommissaris zijn gekoppeld aan de statuten. Hoe werkt dat in de praktijk?

In het geval dat de statuten van een corporatie in de periode tussen 1 juli 2015 en 1 januari 2017 nog niet zijn aangepast aan de nieuwe wettelijke vereisten, dan zal een corporatie wel gebonden zijn aan de wet in plaats van de (nog te wijzigen) statuten. Daar waar het aantal huurderscommissarissen niet aan het wettelijk gestelde minimum voldoet is het derhalve raadzaam met voorrang een huurderscommissaris te benoemen gelet op de wettelijke bepaling.
Bron: BZK

Een corporatie met zeven RvT-leden heeft twee leden die zijn voorgedragen door de huurders, wat minder is dan een derde. Betekent dit dat bij de eerste herbenoeming (begin 2016) de betreffende commissaris niet kan worden herbenoemd, en dat de huurdersorganisatie gevraagd moet worden een nieuw lid voor te dragen? Mag ook gekozen worden om bij een tweede herbenoeming later in 2016 een huurderscommissaris te werven?

Ja, respectievelijk nee. Van corporaties wordt verwacht dat zij zo snel mogelijk voldoen aan de eisen die gelden voor de samenstelling van de RvT op basis van de wet. Wanneer dus niet ten minste een derde van de commissarissen is benoemd op voordracht van de huurdersorganisaties, dient bij het verlopen van de benoemingstermijn van de eerste zittende commissaris van wie deze termijn afloopt, een nieuwe kandidaat-commissaris te worden geworven en benoemd op voordracht van de huurdersorganisaties van de corporaties. Dit kan betekenen dat een zittende commissaris niet in aanmerking komt voor herbenoeming. De benoeming van een commissaris op voordracht van de huurdersorganisaties dient te voldoen aan alle wettelijke eisen, zoals de fit and proper test.
Bron: BZK.

Als er meerdere (overkoepelende) bewonersorganisaties zijn waarmee de corporatie het overleg voert, wie mag dan de commissarisvoordrachten doen?

In de Woningwet zijn geen voorschriften opgenomen over de handelwijze in deze casus. Ook het Burgerlijk Wetboek biedt geen (dwingendrechtelijke) voorschriften hierover. Indien sprake is van meerdere huurdersorganisaties binnen een corporatie, zouden de statuten voorschriften moeten bevatten en aanzien van het te volgen proces bij de voordracht van een huurderscommissaris.
Aanvullend op de statuten kunnen betrokken partijen binnen de corporatie werkafspraken overeen komen bij aanvang van het proces om te komen tot een voordracht van een huurderscommissaris.

In de handreiking De huurderscommissaris geven de VTW en Woonbond aanbevelingen om een zorgvuldig proces van de voordracht en de kwaliteit en professionaliteit van het intern toezicht te bevorderen.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, pp. 6, 14, bewerkt

Wat gebeurt er als de huurdersorganisatie geen voordracht voor een huurdercommissaris doet?

Als er geen voordracht van de huurders is, moet de RvT actief werven in overleg met de huurdersvertegenwoordiging.
Bron: BZK

Is een advies van de huurdersorganisatie aan de RvT bij (her)benoeming van de bestuurder of de commissarissen vereist?

Er is geen verplichting om de huurdersorganisatie te raadplegen of om advies te vragen. De wet en het BTIV voorzien niet in directe betrokkenheid van de huurdersorganisatie. (Her)benoeming van een bestuurder en van leden van de RvT zelf, is de taak van de RvT. Per 1 juli 2015 is een positieve zienswijze van de minister daarop vereist. Via het recht van voordracht dat de huurdersorganisatie heeft voor ten minste twee leden van de RvT, indien de raad bestaat uit ten minste vijf leden (Woningwet, artikel 30, lid 9), is er wel sprake van een indirecte betrokkenheid bij de (her)benoeming van bestuurders en leden van de RvT. De (huurders)commissarissen kunnen bij een op handen zijnde (her)benoeming de huurdersorganisatie wel raadplegen.

Aanbevelingen van de VTW en Woonbond die zijn opgenomen in de publicatie De huurdercommissaris:

  • De RvT betrekt de voordragende huurdersorganisatie bij de vaststelling van de (algemene) profielschets voor de RvT.
  • De huurdersorganisatie en de RvT overleggen één of twee keer per jaar over het algemeen beleid van de corporatie. In dit kader legt de RvT alle commissarisbenoemingen ter informatie voor aan de huurdersorganisatie.

Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, pp. 6, 14, bewerkt

Hoe gaat een verzoek tot ontslag van een commisssaris of de RvT bij de Ondernemingskamer in zijn werk? Is de Ondernemingskamer hier op voorbereid?

Artikel 33 maakt het mogelijk dat een verzoek bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam wordt ingediend om een individuele commissaris of volledige RvT te ontslaan. Een verzoek tot ontslag kan worden gedaan door de corporatie (vertegenwoordigd door bestuur of RvT) en de minister. Het indienen van een verzoekschrift op grond van artikel 33 van de wet verloopt via de verzoekschrift procedure van de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam.
Bron: BZK

Wie moet de nieuwe RvT benoemen als de eerdere RvT volledig in een keer ontslagen is?

Corporaties moeten volgens de wet in hun statuten vastleggen hoe bij ontstentenis (en belet) in de RvT (en het bestuur) wordt voorzien.
Bron: BZK

Wie stelt de jaarrekening van de corporatie vast?

Volgens art. 35, derde lid van de wet geschiedt de vaststelling als de corporatie een stichting is door de RvT en als de corporatie een vereniging is door de algemene vergadering, tenzij de statuten hiertoe de RvT aanwijzen.

De minister heeft er bewust voor gekozen om in de Woningwet op dit punt wat af te wijken van de regeling in het BW. De algemene regel voor stichtingen staat in art. 2:300 lid 3 BW:

“De jaarrekening wordt uiterlijk een maand na afloop van de termijn vastgesteld door het daartoe volgens de statuten bevoegde orgaan. Indien de statuten deze bevoegdheid niet aan enig orgaan verlenen, komt deze bevoegdheid toe aan het toezicht houdende orgaan en bij gebreke daarvan aan het bestuur.

De algemene regel voor verenigingen staat in art. 2:49 lid 3 BW:

“De jaarrekening wordt vastgesteld door de algemene vergadering die het bestuur uiterlijk een maand na afloop van de termijn doet houden.”

De afwijking van het BW in artikel 35 van de Woningwet is toegelicht in de MvT (pag. 49) op het allereerste wetsvoorstel:

“Ingevolge het voorgestelde tweede lid is het vaststellen van de jaarrekening de taak van de RvT als het om een stichting gaat en de taak van de algemene vergadering als het om een vereniging gaat. In de statuten van een vereniging kan een keuze gemaakt worden voor goedkeuring van de jaarrekening door de RvT.”.

De basis voor afwijking van het BW staat in artikel 22, tweede lid van de Woningwet:

"Tenzij daarvan in deze afdeling wordt afgeweken:
a. zijn de bepalingen van titel 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing op de toegelaten instellingen die verenigingen zijn, en
b. zijn de bepalingen van titel 6 van dat boek van toepassing op de toegelaten instellingen die stichtingen zijn."

In veel statuten van woningstichtingen staat nu nog dat het bestuur de jaarrekening vaststelt en dat de RvC (of RvT) daarvoor goedkeuring moet verlenen. Die regeling is destijds n.a.v. de aanbevelingen van de commissie Glasz gebaseerd op de regeling voor de zogenaamde structuurvennootschappen (de grote NV’s en BV’s). Die goedkeuringsregeling in het BW is echter in 2004 vervallen, en vervangen door de regeling dat bij alle BV's/NV's de jaarrekening wordt vastgesteld door de algemene vergadering.
De Woningwet sluit hierbij aan door de jaarrekening te laten vaststellen (i.p.v. goedkeuren) door de RvC/RvT (of door de algemene vergadering bij de vereniging). De statuten van de corporaties zullen op dat punt moeten worden gewijzigd.
Bron:  artikelen 35 lid 3 en 22 lid 2 Woningwet, MvT pagina 49, artikelen 2:300 lid 3 en 2:49 lid 3 BW

Is het mogelijk om finale kwijting te geven bij vertrek van een commissaris?

Ja, finale kwijting aan een commissaris (of bestuurder) is toegestaan. Hiermee kan immers worden voorkomen dat een geschil alleen via (kostbare) juridische procedures kan worden opgelost. Mochten er overigens na de finale kwijting zaken aan het licht komen die op het moment van verlening niet bekend waren, dan kan de finale kwijting in bepaalde situaties zijn waarde verliezen. De corporatie kan zich dan mogelijk beroepen op het Burgerlijk Wetboek (bijvoorbeeld in geval van dwaling of onvoorziene omstandigheden).

Op 3 juni heeft BZK op bovenstaand antwoord onderstaande toelichting gegeven:

Bedoeld is juist dat met een finale kwijting een (dure) gang naar de rechter om een geschil met een bestuurder of commissaris op te lossen eventueel kan worden voorkomen (bijv. door een minnelijke schikking, vast te leggen in een vaststellingsovereenkomst).
Dit betekent overigens geenszins dat een corporatie deze weg hierom ook altijd moet bewandelen. Corporaties zijn in een vaststellingsovereenkomst niet verplicht tot het verlenen van finale kwijting en het verkrijgen daarvan is ook geen (wettelijk) recht voor vertrekkende bestuurders of commissarissen.
Evenmin is het zo dat een corporatie in alle gevallen haar rechten op een eventuele aansprakelijkstelling verspeelt bij een finale kwijting (of decharge). Zoals in het tweede deel van het eerdere antwoord ook staat, kan een eerder verleende finale kwijting of decharge in bepaalde situaties haar waarde verliezen als bv. later blijkt dat deze op basis van onjuiste of onvolledige informatie is verleend.

Uitgangspunt van een finale kwijting is dat de corporatie daarmee afziet van eventuele vorderingen op een vertrekkende bestuurder of commissaris. Dit kan bijv. via een vaststellingsovereenkomst waarin partijen wederzijds verklaren over en weer niets meer van elkaar te vorderen te hebben. Tegenover het in het in het eerder antwoord veronderstelde ‘voordeel’, dat een finale kwijting een dure rechtsgang kan voorkomen, dient te worden onderkend dat het de corporatie kan beperken in haar mogelijkheden tot aansprakelijkstelling van bestuurder en commissarissen, zo zij dit achteraf toch nodig acht. Dit kan inderdaad leiden tot financiële schade. Het is hierom dat een besluit tot finale kwijting ook niet lichtzinnig zou moeten worden genomen.

Zoals hiervoor al is aangegeven, hoeft een finale kwijting niet onherroepelijk te zijn. Deze zou in voorkomende gevallen haar waarde kunnen verliezen indien later bv. blijkt dat deze op onjuiste en/of onvolledige gronden is verleend. In de door AKD genoemde casus WSG oordeelde de rechtbank dat de corporatie zich daar niet op kon beroepen, omdat zij al opdracht had gegeven tot extern onderzoek naar wanbeleid vóór zij de vaststellingsovereenkomst sloot. In die omstandigheden, zo oordeelde de rechtbank, had WSG willens en wetens de finale kwijting verleend en kan die niet achteraf worden aangetast.
Bron: BZK

Zie ook:

Waarom is de Autoriteit Woningcorporaties niet verplicht een exitgesprek te voeren met een tussentijds opgestapte commissaris?

Het tussentijds opstappen van een lid van de RvT kan een signaal zijn dat er iets aan de hand is bij een corporatie. Het ligt in de rede dat de toezichthouder een dergelijk signaal oppakt, bijvoorbeeld door betrokkene uit te nodigen voor een exitgesprek. Een wettelijke verplichting daartoe acht de regering echter te vergaand, aangezien een lid van de RvT ook om andere dan ernstige redenen kan vertrekken voordat zijn of haar benoemingstermijn eindigt.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, p. 15, bewerkt

In welke gevallen dient de RvT de minister i.c. de Autoriteit Woningcorporaties te informeren?

In de wet zijn maatregelen getroffen, zodat het intern en extern toezicht elkaar kunnen versterken en aanvullen. In artikel 27 van het BTIV zijn de situaties benoemd waarin de RvT de minister, in casu de externe toezichthouder, op de hoogte dient te stellen, omdat het daarbij voor de minister in het kader van het toezicht wenselijk is vroegtijdig op de hoogte te zijn van ontwikkelingen die bij de corporatie spelen. Het gaat om:

  • schade of mogelijke schade aan het belang van de volkshuisvesting door handelen van de corporatie;
  • indien sprake is van een onoverbrugbaar geschil tussen het bestuur en de RvT van de corporatie of tussen de corporatie en een dochtermaatschappij;
  • twijfel over rechtmatigheid van handelen of de integriteit bij beleid en beheer van de corporatie;
  • indien sprake is van liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen bij de corporatie of een dochtermaatschappij van die corporatie.

Bij Ministeriële Regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, pp. 68, 69

Kunnen commissarissen aansprakelijk worden gesteld voor het niet tijdig voldoen aan de meldplicht bij de Autoriteit Woningcorporaties? Kunnen zij zich hiertegen verzekeren?

Uitgangspunt van de wet is een wederzijdse uitwisseling van informatie tussen interne en externe toezichthouder. In het BTIV, artikel 27, eerste lid staan de gevallen waarin de RvT de minister dient te informeren. Leden van de RvT dienen een eigen afweging te maken, wat in lijn is met de primaire verantwoordelijkheid die de raad heeft voor het toezicht op de gang van zaken binnen de corporatie. Mogelijke problemen binnen de corporatie (zoals genoemd in het BTIV, artikel 27, eerste lid, onder a en c) waarvan de RvT van mening is dat die niet binnen de corporatie zelf opgelost kunnen worden en waarover het bestuur van de corporatie niet zelf de toezichthouder informeert, dient de RvT te melden aan de externe toezichthouder die zo nodig (aanvullende) maatregelen kan nemen. Tevens informeert de RvT, indien het bestuur dat niet zelf doet, de minister indien sprake is van een onoverbrugbaar geschil tussen bestuur en RvT, en bij liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen in de corporatie.

Artikel 61lb van de wet bepaalt dat de externe toezichthouder de leden van de RvT informeert over (voornemens tot) toezichtmaatregelen bij de corporatie. Gegeven de centrale verantwoordelijkheid van het bestuur voor de instelling en de informatieverplichtingen die daarmee samenhangen, zal de externe toezichthouder zich bij problemen primair richten tot het bestuur. Omgekeerd is het bestuur ook de eerst aangewezene om de externe toezichthouder te informeren bij problemen. Indien dat niet gebeurt, zal de RvT zijn verantwoordelijkheid moeten nemen en de externe toezichthouder informeren. Wanneer mogelijk sprake is van gebrekkig intern toezicht c.q. taakverwaarlozing door (leden van) de RvT, kan de externe toezichthouder gebruik maken van publiekrechtelijke sanctiemiddelen, zoals het opleggen van een schorsing of ontslag. Leden van een RvT kunnen door de corporatie zelf ook (hoofdelijk) civielrechtelijk aansprakelijk gesteld worden voor hun handelen of nalaten in de uitvoering van hun functie, door het van overeenkomstige toepassing verklaren van bepalingen uit het BW over bestuurdersaansprakelijkheid. Daarbij zal de rechter moeten vaststellen, of op grond van alle omstandigheden van het geval sprake is van ‘ernstige verwijtbaarheid’. Het niet melden van informatie door (leden van) de RvT aan de externe toezichthouder zal in de specifieke context worden beoordeeld. Of enkel het niet melden van informatie is gedekt door een aansprakelijkheidsverzekering, zal, naast de specifieke feiten en omstandigheden van het geval, afhangen van wat aan voorwaarden in de specifieke verzekeringsovereenkomst is opgenomen.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, pp. 16, 17

In welke gevallen is de minister i.c. de Autoriteit Woningcorporaties verplicht de RvT te informeren?

Er is sprake van een wederzijdse informatieverplichting. De wet bevat voor de externe toezichthouder de bepaling (artikel 61lb) dat hij in bepaalde, bij of krachtens AMvB te bepalen gevallen de RvT van de corporatie op de hoogte stelt van zijn toezichttaken. Die gevallen zijn bepaald in artikel 114 van het BTIV.
Bron: Kamerstuk 33 966, nr. 155, Lijst van vragen en antwoorden, 10 maart 2015, pp. 68, 69

Moeten een corporatie die vereniging is aan de zelfde governance eisen voldoen als een corporatie die stichting is?

De wet geldt voor corporaties die zowel een vereniging als een stichting kunnen zijn. De eisen die aan corporaties worden gesteld in het kader van governance zijn voor verenigingen of stichtingen gelijk.
Bron: BZK

Hoe vindt statutenwijziging plaats bij een corporatie die vereniging is?

Het algemene uitgangspunt in de Woningwet (artikel 24 lid 1) is dat het bestuur bevoegd is de statuten te wijzigen. Specifiek voor de corporatie die vereniging is, geldt dat de algemene (leden)vergadering, op voorstel van het bestuur, hiertoe bevoegd is.
Bron: Woningwet, artikel 24 lid 1

Wie benoemt de commissarissen bij een corporatie die vereniging is?

Artikel 30, tweede lid van de wet bepaalt dat commissarissen worden benoemd door de RvT. De statuten van een vereniging kunnen bepalen dat een voordracht voor de benoeming van een commissaris door de RvT eerst moet worden voorgelegd aan de Algemene Vergadering van de vereniging, voordat tot benoeming wordt overgegaan.
Bron: BZK

Wat is de beweegreden om te regelen in art 30 lid 9 onderdeel c van de Woningwet dat de ALV het bindende karakter van een RvT-voordracht door de huurdersorganisatie kan ontnemen?

Dit betreft geen nieuw element. Een vergelijkbare bepaling was reeds ondergebracht in artikel 7, lid 1, onderdeel f van het BBSH. De achtergrond voor de mogelijkheid om het bindende karakter van een voordracht van een kandidaat-commissaris te ontnemen (aan de hand van een besluit van de algemene vergadering van een corporatie die een vereniging is) is gelegen in de status van de algemene vergadering als hoogste orgaan binnen een vereniging.
Bron: BZK.

Hoe verandert de nieuwe Woningwet de benoeming van het bestuur bij een corporatie die vereniging is?

Tot de inwerkingtreding van de Woningwet kan het bestuur van een corporatie die vereniging is op twee manieren worden benoemd: of het bestuur en de RvT worden door de algemene (leden)vergadering benoemd, of de ledenvergadering benoemt de RvT en de RvT benoemt het bestuur. De Woningwet bepaalt in artikel 25 lid 1 dat op dit punt het verenigingsrecht (BW, Boek 2, art 37 lid 1 t/m 6) buiten werking wordt gesteld. Dit betekent voor corporaties die vereniging zijn, dat:

  • het bestuur niet uit de leden wordt benoemd door de algemene (leden)vergadering;
  • het bestuur alleen kan worden benoemd door de RvT.

En dit geldt dus al vanaf 1 juli 2015, ook als de statuten op 1 juli 2015 daarop nog niet zouden zijn aangepast.
Bron: Woningwet, artikel 25 lid 1

Houden huurders bij een corporatie die vereniging is in de nieuwe Woningwet het recht om een bindende voordracht te doen voor een zetel in de RvT?

De statuten van iedere corporatie, dus ook die van de corporatie die vereniging is, moeten bepalen dat huurders in de gelegenheid worden gesteld een bindende voordracht voor zetels in de RvT te doen (Woningwet, artikel 30 lid 9 onder a).
Een bijzondere bepaling voor de corporatie die vereniging is, is de bevoegdheid van de algemene (leden)vergadering om het bindende karakter te ontnemen aan een voordracht vanuit de huurders voor een commissaris (Woningwet, artikel 30 lid 9 onder c en d). Voor een dergelijk besluit van de algemene (leden)vergadering gelden strenge eisen: het kan alleen maar worden genomen indien op een vergadering de meerderheid van de stemgerechtigden aanwezig is. Aanwezige huurders die geen lid van de vereniging zijn, tellen daarbij dus niet mee (Woningwet, artikel 30 lid 9 onder e).
Bron: Woningwet, artikel 30 lid 9, onder a, c, d en e

Heeft de ALV of Ledenraad van een vereniging nog een rol bij het vaststellen van de honorering van de leden van de RvT. Of doet de RvT dit ook zelf (binnen de vastgestelde kaders)?

De ALV of Ledenraad van een vereniging kunnen een rol krijgen bij het vaststellen van de honorering van de leden van de RvT. Dit is geen vereiste, de RvT kan dit ook zelf bepalen. De WNT is daarbij leidend.
Bron: BZK.

Zijn corporaties met de verenigingsvorm anders dan ‘gewone’ verenigingen?

Het Burgerlijk Wetboek (boek 2, titel 2) ten aanzien van verenigingen is van toepassing. Dit betekent dat de algemene regels die gelden voor verenigingen ook gelden voor corporaties die verenigingen zijn. Op enkele punten is dit niet zo:

  • Bij ‘gewone’ verenigingen geldt dat de algemene (leden)vergadering bevoegd is de statuten te wijzigen. Specifiek voor corporaties die vereniging zijn, geldt dat de algemene (leden)vergadering, hiertoe slechts bevoegd is op voorstel van het bestuur.
  • Bij ‘gewone’ verenigingen dienen de statuten het bestuur voor het verrichten van bepaalde handelingen die bevoegdheid specifiek toe te kennen, eventueel gebonden aan beperkingen en voorwaarden (BW, Boek 2, artikel 44 lid 2). Bij corporaties die vereniging zijn, is het bestuur bevoegd tot het verrichten van alle handelingen die in het belang zijn van de vereniging.

Bron: BW, Boek 2, titel 2; Woningwet, artikel 22 lid 2 onder a


Terug naar overzicht

Tags

VTW handreikingen
Masterclasses 2e helft 2017