Floor Rink Hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen over relatie intern en extern toezicht

Eerder méér dan minder betrokkenheid

Toezicht gaat om meer dan alleen regels opleggen en naleven. Het verbeteren van onderlinge relaties tussen intern toezicht, extern toezicht en bestuurders levert een significante bijdrage aan goed bestuur en het naleven van die regels. Dit vergt aanpassingen bij extern én intern toezicht, zo stelt hoogleraar organisatiegedrag Floor Rink. ‘It takes two to tango.’

Hoogleraar Rink, verbonden aan de Rijksuniversiteit van Groningen, kijkt met een psychologische bril naar toezicht. Psychologische (groeps)processen hebben – vaak onbewust - grote invloed op het werk van toezichthouders. Op basis van regels en wetten moeten zij onafhankelijk besluiten nemen, maar de vraag is of die besluiten altijd objectief zijn. ‘Toezicht is mensenwerk,’ stelt ze.

‘Wij-zij’

In haar onderzoek gaat Rink uit van de theorie van sociale identiteit. Mensen ontlenen hun status en eigenwaarde aan de groep waartoe zij behoren. Zij stellen daarom hun eigen groep vaak boven een andere, en vervallen in ´wij-zij denken´. ‘Dat kan ook spelen in de relatie tussen bestuur en intern toezicht. Hoewel zij ieder hun eigen rol hebben, werken zij voor dezelfde organisatie, waardoor een ‘wij-gevoel’ kan ontstaan. Zij richten zich samen tegen ‘zij’, de externe toezichthouder.’


Hoe stel je vast wanneer sprake is van goed intern toezicht?


 

Rink die onderzoek heeft gedaan in de financiële sector haalt een voorbeeld aan. ‘Recent kwam in het nieuws dat president-commissaris Jeroen van der Veer van ING de omstreden salarisverhoging van de ING-topman in eerste instantie verdedigde. Je zou zeggen dat hij met alle regels van extern toezicht er bovenop zou zitten en een ander besluit zou hebben genomen.’   

In dialoog

Rink durft de stelling aan dat extern toezicht eerder méér dan minder betrokkenheid zou moeten tonen, ook in de corporatiesector. Dit betekent niet dat de Autoriteit Woningcorporaties (Aw) simpelweg meer regels moet opleggen, wél dat de Aw meer in dialoog gaat met corporaties en interne toezichthouders over het nut van bepaalde regels. ´Zo bouw je als externe toezichthouder een vertrouwensband op, wat ´wij-zij denken´ tegengaat.´  Uiteraard betekent dit ook dat toezichthouders van corporaties moeten laten zien dat zij dit vertrouwen verdienen, stelt Rink. ‘It takes two to tango. Je kan niet eenzijdig van de externe toezichthouder verwachten dat hij meer ruimte moet bieden. Of andersom; je kan niet eenzijdig van interne toezichthouders verwachten dat zij regeldruk moeten accepteren.’

Diversiteit en mobiliteit

Rink stelt dat alleen bij goed intern toezicht de externe toezichthouder een stap terug kan doen. Maar hoe je stel je vast wanneer sprake is van goed intern toezicht? De samenstelling van de RvC is een belangrijke graadmeter. Diversiteit en nieuwe RvC-leden kunnen bijdragen aan scherp toezicht. Maar het is vooral belangrijk dat de onderlinge verhoudingen tussen bestuur, intern en extern toezicht regelmatig onderdeel van gesprek zijn. Daarnaast scheidt de fit & propertest het kaf van het koren. ‘Je zou de toezichthouder wél meer op psychologische en ethische inzichten kunnen toetsen,’ stelt Rink.  Eenvoudig is het echter niet om vast stellen wanneer de extern toezichthouder bij een individuele Raad van Commissarissen van een corporatie een stap terug kan doen. Om die reden werkt de VTW samen met de Autoriteit Woningcorporaties aan pilots om te toetsen welke aanpak in de praktijk werkt. ‘Een goede zet,’ aldus Rink. 

Floor Rink Hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen over relatie intern en extern toezicht

Eerder méér dan minder betrokkenheid

Toezicht gaat om meer dan alleen regels opleggen en naleven. Het verbeteren van onderlinge relaties tussen intern toezicht, extern toezicht en bestuurders levert een significante bijdrage aan goed bestuur en het naleven van die regels. Dit vergt aanpassingen bij extern én intern toezicht, zo stelt hoogleraar organisatiegedrag Floor Rink. ‘It takes two to tango.’

Hoogleraar Rink, verbonden aan de Rijksuniversiteit van Groningen, kijkt met een psychologische bril naar toezicht. Psychologische (groeps)processen hebben – vaak onbewust - grote invloed op het werk van toezichthouders. Op basis van regels en wetten moeten zij onafhankelijk besluiten nemen, maar de vraag is of die besluiten altijd objectief zijn. ‘Toezicht is mensenwerk,’ stelt ze.

‘Wij-zij’

In haar onderzoek gaat Rink uit van de theorie van sociale identiteit. Mensen ontlenen hun status en eigenwaarde aan de groep waartoe zij behoren. Zij stellen daarom hun eigen groep vaak boven een andere, en vervallen in ´wij-zij denken´. ‘Dat kan ook spelen in de relatie tussen bestuur en intern toezicht. Hoewel zij ieder hun eigen rol hebben, werken zij voor dezelfde organisatie, waardoor een ‘wij-gevoel’ kan ontstaan. Zij richten zich samen tegen ‘zij’, de externe toezichthouder.’   


Hoe stel je vast wanneer sprake is van goed intern toezicht?


Rink die onderzoek heeft gedaan in de financiële sector haalt een voorbeeld aan. ‘Recent kwam in het nieuws dat president-commissaris Jeroen van der Veer van ING de omstreden salarisverhoging van de ING-topman in eerste instantie verdedigde. Je zou zeggen dat hij met alle regels van extern toezicht er bovenop zou zitten en een ander besluit zou hebben genomen.’   

In dialoog

Rink durft de stelling aan dat extern toezicht eerder méér dan minder betrokkenheid zou moeten tonen, ook in de corporatiesector. Dit betekent niet dat de Autoriteit Woningcorporaties (Aw) simpelweg meer regels moet opleggen, wél dat de Aw meer in dialoog gaat met corporaties en interne toezichthouders over het nut van bepaalde regels. ´Zo bouw je als externe toezichthouder een vertrouwensband op, wat ´wij-zij denken´ tegengaat.´  Uiteraard betekent dit ook dat toezichthouders van corporaties moeten laten zien dat zij dit vertrouwen verdienen, stelt Rink. ‘It takes two to tango. Je kan niet eenzijdig van de externe toezichthouder verwachten dat hij meer ruimte moet bieden. Of andersom; je kan niet eenzijdig van interne toezichthouders verwachten dat zij regeldruk moeten accepteren.’

Diversiteit en mobiliteit

Rink stelt dat alleen bij goed intern toezicht de externe toezichthouder een stap terug kan doen. Maar hoe je stel je vast wanneer sprake is van goed intern toezicht? De samenstelling van de RvC is een belangrijke graadmeter. Diversiteit en nieuwe RvC-leden kunnen bijdragen aan scherp toezicht. Maar het is vooral belangrijk dat de onderlinge verhoudingen tussen bestuur, intern en extern toezicht regelmatig onderdeel van gesprek zijn. Daarnaast scheidt de fit & propertest het kaf van het koren. ‘Je zou de toezichthouder wél meer op psychologische en ethische inzichten kunnen toetsen,’ stelt Rink.  Eenvoudig is het echter niet om vast stellen wanneer de extern toezichthouder bij een individuele Raad van Commissarissen van een corporatie een stap terug kan doen. Om die reden werkt de VTW samen met de Autoriteit Woningcorporaties aan pilots om te toetsen welke aanpak in de praktijk werkt. ‘Een goede zet,’ aldus Rink.