5

Directeur, bestuurder of CEO?

…. en gaat de RvC daarover

Functienamen kennen een zekere mate van inflatie, ook in de corporatiewereld. De vroegere hoofdopzichter is nu manager en de directeur met financiën in de portefeuille heet soms CFO. Met groot en klein heeft het weinig te maken. Bij grote corporatie komen we de term CEO tegen, maar ook directievoorzitter. En allebei op basis van dezelfde statutaire bepalingen.

Je kunt zeggen what’s in a name, maar een commissaris in deze casus dacht daar toch anders over.

Wonenplus is een kleine corporatie met woningen in een kleine stad en enkele plattelandsgemeenten daarbuiten. Jaap Kelder is net benoemd tot commissaris en is al jaren directeur-bestuurder van een grote zorgorganisatie. Tijdens de sollicitatieprocedure viel hem tijdens de gesprekken de gemoedelijke sfeer op en de maatschappelijk geëngageerde teksten in de beleidsstukken sprak hem aan. Het motto “dicht bij de bewoner staan” was hem uit het hart gegrepen. Bij zijn eigen organisatie ging hij regelmatig bij een bewoner op werkbezoek. Hij kreeg van medewerkers terug dat de bewoners dat erg waardeerden en hem “zo’n gewone man” vonden.

Twee weken voor zijn eerste vergadering ontvangt Jaap via een vergaderprogramma de stukken en ziet dat de directeur van Wonenplus stukken ondertekent met de functiebenaming CEO. Hij merkt bij zich zelf dat hij niet alleen verbaasd is, maar dat het hem ook ergert. Hij kijkt nog eens in de begroting en ziet dat er 18 mensen werken, toch niet echt de omvang van een multinational en in zijn eigen organisatie werken nota bene al ruim 3000 mensen. Hij besluit dit met zijn collega’s te bespreken, dat kan mooi tijdens het vooroverleg (zonder bestuurder) dat een half uur voor de vergadering gepland staat.

Hoe ging het verder?

De voorzitter verwelkomt Jaap op zijn eerste vergadering en vraagt hoe het inwerkprogramma verloopt. Jaap zegt blij te zijn met die vraag en zegt dat hij al veel stukken heeft gelezen en op korte termijn graag een aantal sleutelfiguren uit de organisatie wil ontmoeten en ook graag een rondje langs het bezit van Wonenplus zou willen maken. Op de vraag of hem iets bijzonders is opgevallen valt hij met de deur in huis en zegt dat hij de functiebenaming van de bestuurder niet gelukkig vindt en vraagt waar dat vandaan komt. Hij voegt er aan toe dat een van zijn relaties die ook met de corporatie te maken heeft, hem daar al wat lacherig op had aangesproken. De voorzitter legt uit dat Wonenplus vorig jaar stevig is gereorganiseerd en dat de directeur die toen net was aangetreden deze functiebenaming in het reorganisatieplan had opgenomen. Daar is toen wel enig discussie over geweest, maar de conclusie was “ach, what’s in a name” en de extern adviseur had er op gewezen dat hij ook kleine corporaties kende waar de enige bestuurder zich voorzitter van de raad van bestuur noemde.

Jaap betoogt dat hij “voorzitter van de raad van bestuur” net zo overdreven vindt. Hij wil dit tijdens zijn eerste vergadering niet op de spits drijven, maar vraagt zijn collega’s toch eens na te denken of een dergelijke functiebenaming wel past bij het motto van Wonenplus dat immers “dicht bij de bewoner staan” luidt. Dat de baas directeur heet, dat snapt een bewoner wel, maar CEO? Jaap vat zijn mening samen en vindt de functiebenaming CEO ver over de top voor een maatschappelijke organisatie als Wonenplus en zelfs in strijd met de geest van principe 1 van de Governancecode. Een van de collega’s verzucht dat Jaap wel een punt heeft, maar vreest dat de RvC hier niet over gaat.

Nu grijpt de voorzitter in. Hij corrigeert de collega en stelt dat de RvC over heel veel zaken gaat, maar zich lang niet overal mee bemoeit als de bestuurder goed functioneert. Hij voegt er aan toe dat als de RvC dit als buitengewoon storend ervaart en slecht vindt voor het imago van de corporatie, wegkijken geen optie is. Hij stelt voor hier indringend met de bestuurder over te spreken.

De voorzitter is zo verstandig dit gesprek goed voor te bereiden en erkent dat hij deze functiebenaming eigenlijk te klakkeloos heeft geaccepteerd, wat hij aan het begin van het gesprek ruiterlijk toegeeft. De kern van zijn betoog is dat – als uitwerking van principe 1 van de Governancecode – houding en gedrag van de organisatie en dus van de leiding en de medewerkers, moeten passen bij de missie. Daar hoort zijn inziens het rijden in een Maserati niet bij, maar evenmin het hanteren van overdreven functiebenamingen. De raad komt tot de conclusie dat dit een typisch voorbeeld is van fout voorbeeldgedrag, zowel naar buiten als naar binnen.

Overigens verdient de nieuwe commissaris een compliment voor zijn assertiviteit om in zijn eerste vergadering zijn mening stevig neer te zetten. De voorzitter deed er goed aan om daar open en kritisch mee om te gaan en een eerder ingenomen standpunt ter discussie te stellen.

Nu is de vraag wat er moet gebeuren als de bestuurder wil volharden in het gebruik van zijn functiebenaming. Dat lijkt erg onwaarschijnlijk, maar ingrijpen is dan niet onlogisch.